Houtkoper Gosewijn van Dijk

Uit Toen Leidschendam-Voorburg
Versie door AlbertdeJong (Overleg | bijdragen) op 14 mei 2017 om 17:27

(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar:navigatie, zoeken

Vanaf 1735 woont en werkt Gosewijn van Dijk in Veur. Hij is dan houtkoper en eigenaar van een zaagmolen (‘De Salamander’) en laat in 1739 aan de Vliet een tweede zaagmolen (‘De Hoop’) bouwen.

Gosewijn (ook Goswinus, Goosewijn, Gooswijn, Goosen, Goossen) van Dijk is in huis gedoopt (Remonstrants) in Rotterdam op 13 juli 1701. Hij is overleden voor februari 1769. Hij is een zoon van Pieter van Dijk, zaagmolenaar in Rotterdam en Fransijna van der Graef. Nadat zijn vader in 1715 is overleden hertrouwt zijn moeder met Willem Prins, eveneens zaagmolenaar.

Het Verbeterhuis de Vergulde Cabel in Delft

Van Dijk is in februari 1767 'zonder bepaaling van tijd' in het Delfts Verbeterhuis de Vergulde Cabel is opgenomen.Aan de Oostpoort aldaar worden mannen – merendeels uit de meer draagkrachtige families - uit Delft en omliggende plaatsen opgenomen die ‘aan verzwakte geestvermogens lijdende’ zijn (krankzinnigheid, slecht gedrag of tot wanneer iemand weer 'over zich zelf kan gouverneren'). Daarbij wordt ook de duur van de opsluiting aangegeven (onbepaalde tijd, voor de duur van drie jaren, tot tijd van beterschap). Vermoedelijk al eerder, in mei 1765, is Gosewijn niet meer in staat tot handelen; zijn vrouw mag dan zelfstandig een verklaring inzake een afgesloten lening afleggen.

Te koop: Zaegmolen nevens een Houtkoperij met goed succes gedaen

Opvallend is dat al in 1730 in de kranten geadverteerd wordt dat Jacob Kaper (’s-Gravenhage op de Paviljoensgracht, op de hoek van de Katerstraat) een Zaegmolen nevens een Houtkoperij, staande aan den Leydschendam in de Heerlijkheid van Veur, uit de hand te koop aanbiedt. De houtkopery is reeds 16 a 17 jaren met goed succes gedaan; zijnde de molen voorzien van alle gereedschappen tot de houtzagerij nodig, nevens een bequam woonhuijs met een aparte wooning voor de knegts, ook schuyten en bequame schuuren om ‘t hout in te leggen.

’s-Gravenhaegse Courant, 11 september 1730:

Amsterdamse Courant, 12 september 1730:

Uiteindelijk wordt Gosewijn van Dijk in 1735 de nieuwe eigenaar. Op 21 augustus 1735 laat hij voor Mr. Daniel Pointz, Bailliuw, Schout Corstiaan van der Pelt en Jacob Wassenaar, schepenen der Vrije Heerlijkheid van Veur, vastleggen dat hij van Jacob Kaper een zaagmolen heeft gekocht. Van Dijk betaalt voor de zaagmolen, het bewoonde woonhuis, schuren, een hond erf (ca. 0,15 hectare) en de vaste gereedschappen ƒ 3400 en voor de losse gereedschappen ƒ 600. Het geheel is gelegen aan de Noordzijde van de Leijdschendam aan de Vliet. Hij moet ieder jaar op de 1e januari vier gulden windgeld betalen aan de Hoog Ed. Vrouw Douairière van Duvenvoirden als Vrouwe van Veur.

Op 6 oktober 1735 is de gezworen Kamerbewaarder van Rotterdam geauthoriseerd om afkondiging te doen van 3 houwelijksche proclamatien ter Peuye van het Raedt-huys van Gosewinus van Dijk, op 23 oktober 1735 trouwt hij met Jannitje van den Berg. Jannitje is overleden voor 1755. Uit dit huwelijk zijn in Leidschendam 4 kinderen geboren, allen remonstrants gedoopt.

Uitbreiding van de houtkoperij met een tweede zaagmolen

Kennelijk gaat het Gosewijn van Dijk voor de wind en is hij van plan de houtkoperij uit te breiden met een tweede zaagmolen. Daarvoor is uitbreiding van zijn erf nodig; hij koopt enkele stukken land van zijn naastgelegen buren aan. Voor de financiering daarvan en voor de bouw van een tweede molen steekt hij zich diep in de schulden; uit de archieven blijkt dat de diverse houtkopers in de 17e en 18e eeuw zakelijke transacties rond de houthandel en koop of uitbreiding van de houtkoperij steeds mogelijk maken door het aangaan van geldleningen; de molens zijn dan vaak het onderpand.

Bij schout en schepenen van Veur zijn Gosewijn van Dijk en Jannitje van den Berg verschenen op 9 augustus 1737. Zij zijn aan juffrouw Johanna Pijl, weduwe van Johannes Nicolaas Keetelaar in Voorburg ƒ 2000 schuldig. De rente bedraagt 3 % per jaar. Aflossing geschiedt met ƒ 1000 per jaar. Het kapitaal mag binnen 4 jaar niet worden opgeëist; daarvoor moet men elkaar 3 maanden van te voren behoorlijk waarschuwen. Onderpand is een zaagmolen met woonhuis en schuren, het erf en de losse en vaste gereedschappen. Gijsbert Jaspersz van Haastrecht verschijnt op 14 maart 1738 voor schout en schepenen van de Vrije Heerlijkheid van Veur. In de oorkonde wordt vastgelegd dat hij aan Gosewijn van Dijk een gedeelte van een afgebakend stuk land heeft verkocht. Het ligt in de Rietvinkpolder achter en ter zijde van het erf van de koper. Wil de koper een sloot op de grens van verkopers land als afscheiding, dan mag hij dat laten maken. Wel moet er dan op zijn kosten een kade naar het buitenwater van verkopers land komen en behoudt verkoper ook het recht om met zijn schuit uit de Vliet in deze sloot tot aan zijn land te mogen varen. De koper zal ook een dam moeten leggen aan de Noordoostzijde om te dienen tot een overpad voor de verkoper over des kopers erf tot aan de Vliet en er een hek op zijn kosten moeten maken en onderhouden. Het geheel is verkocht voor ƒ 250 in contanten en gerede gelden.

Op 21 mei 1738 zijn Gosewijn en zijn huisvrouw bij schout en kerkmeesters van Voorschoten. Bij de Kerk van Voorschoten hebben zij een lening (schepenschuld of hypotheekbrief) afgesloten van ƒ 2000; de rente is 3 % per jaar. Hun zaagmolen, woning, schuren en twee hond land dienen als borg. Bij Jan Tack, medicine doctor in Leiden heeft hij in 1738 een schuld van ƒ 6000.

Een tweede wind-zaagmolentje

Zaagmolenaar Goose van Dijk richt zich in 1739 ‘reverentelijk’ tot de hooged. welgeb. Vrouwe Anna Margareta Baronesse Bentinck, Douairière van Wassenaar, Duvenvoirden, Vrouwe van Duvenvoirden, Voorschoten, Veur enz. Tot beeter kostwinningh voor hem en zijn familie als tot meer gerief van de inwoonders van Veur, Voorschoten en andere nabij leggende dorpen wil hij ‘nogh gaarne een tweede wind-zaagmolentje op seker bij hem gecocht erve ten oosten van de oude zaagmolen aan de Vliet onder Veur omtrent den Leijdschendam bij hem tegenwoordigh beseten werden soude willen doen oprichten’. Hij verzoekt ‘consent en approbatie, te vreede sijnde aan u Ed voor ’t recht van de windt jaarlijks te betalen deselve moole recognitie als hij en zijn voorsaten weegens sijn oude zaagmolen tot vier guldens ‘s jaars hebben betaalt’. Anna Margaretha Baronesse Bentick, douairière en boedelhoudster van wijlen den Hoog Ed Welgeboren Heer Arent Baron van Wassenaar en Duivenvoorden, geeft hiervoor op 19 maart 1739 haar toestemming. Hij mag de molen op zijn kosten oprichten, mits aan haar of haar opvolgers voor het recht van de wind 4 gulden per jaar betaald wordt. Zulks ‘ingaande zo haast de moole gebragt zal zyn onder zeyl en alleen gedurende de tijd dat de molen aldaar zal blijven staan’.

Van een andere buurman, Wolphert van der Hoeve, koopt hij voor ƒ 450 in contanten een partij afgebakend wei- of hooiland, groot vier hond, eveneens in de Rietvinkpolder. Voor schout en schepenen is dit op 23 april 1739 vastgelegd. Voorwaarde is dat de verkoper de molensloot in het achterste gedeelte van zijn land op zijn kosten zes roeden dichter naar de Vliet zal mogen leggen, welke molensloot dan de scheiding tussen verkoper en koper is. De koper heeft een uitpad te voet over het land van verkoper naar de Heerewegh toe; koper zal aan Van der Hoeve een grashoek beschikbaar stellen aan de zuidwestzijde op het verkochte ter breedte van zeven roeden, om het gedurende de tijd van twintig jaren te mogen begrazen, zonder dat hij daarvoor iets aan Van Dijk hoeft te betalen. En verder zullen Van der Hoeve of zijn erfgenamen de keuze hebben om na die twintig jaren deze grashoek te mogen blijven gebruiken, zo lang als hij verkoper of zijn erfgenamen dat zullen goedvinden, maar dan met een vergoeding van ƒ 10,00 per jaar.

Ten slotte sluit hij in die tijd bij Jan Balthasar Strick van Linschoten, Heere van Nieuw Helvoet en kanunnik van de kapittel van de Sint Pieter in Utrecht, een lening af van ƒ 4000. Met deze uitbreiding van zijn erf en de financiering komt er in Veur een houtkoperij tot stand met aan de Vliet twee zaagmolens.

Tussen 1741 en 1755 is (tot nu toe) nauwelijks meer bekend over Van Dijk. Op 20 juli 1741 laten Gosewijn van Dijk met zijn vrouw (zij is door haar man mede geautoriseerd tot het passeren van het protocol) bij schout en schepenen van Veur vastleggen dat zij een schuld hebben van 8000 caroly guldens bij Dirck Dijkerhoff, mr. timmerman en houtcooper in Den Haag. Zij hebben dit bedrag op 1 november 1738 ontvangen en betalen 3 % rente per jaar. Het kapitaal mag pas na drie jaar weer opgeëist worden met een wederzijdse opzegtermijn van 3 maanden. Als onderpand stellen zij de zaagmolens met de houtloodsen, woonhuizen, schuren, erf en opstal en de gereedschappen.

In 1751 is hij eigenaar van de boerderij de Stoepwooninge of Cleijn Haasbroek (in de 18e eeuw gelegen nabij Kasteel Oud Wassenaar). De akte is opgemaakt voor Daniel Pointz, baljuw, schout Corstiaan van Pelt en Jacobus Wassenaar. Verkoopt het geheel in 1764 aan advocaat Mr. Gerrit Hoijer en de procureur van het Hof van Holland, Paulus Hoijer van Brakel.

Huwelijk van Gosewijn van Dijk en Elisabeth van Spijk

Op 5 januari 1755, nadat in Voorschoten drie huwelijkse voorstellingen onverhinderd zijn gedaan, hertrouwt Gosewijn van Dijk, dan weduwnaar van Jannetje van den Berg, met Elisabeth van Spijk. Zij is gedoopt in ’s-Gravenhage op 22 april 1716 en overleden na 1788. Zij is weduwe van de Leidse zeepzieder Willem van Oorde, overleden in Leiden op 1 augustus 1751. Na diens overlijden heeft zij zich gevestigd in Leidschendam. Uit hun tweede huwelijk worden nog 3 kinderen geboren.

Enkele bezittingen van Elisabeth in Leiden worden door Van Dijk verkocht. Op 29 december 1755 is een groot, ruim, hegt, sterk en weldoortimmerd huijs en erve met behangen kamers en vertrekken aan de oostzijde van de Hooijgracht omtrent de Groenesteegh geveild en verkocht. In het Heerenlogement aan den Burgh koopt Gerrit Pannekoek voor het geheel voor ƒ 2600. De verkoop geschiedt met uitzondering van de behangen in de zijkamer en in de alkoven, schilderijen voor de schoorsteen en behangsel in de eetzaal met spiegel. Als gebruikelijk in die tijd bij notariële transacties ontvangen ook de armen een klein bedrag, in dit geval een dukaat.

Gosewijn en Elisabeth verklaren op 27 december 1756 bij de notaris dat zij samen, gehuwd zijnde, schulden hebben en voor elkaar borg staan maar dat zij – 'een vrouw en specialijk een getrouwde vrouw' - daarop niet mag worden aangesproken. Bij Jan van den Boogaard hebben zij nog een schuld van 5000 caroly guldens, gebaseerd op eerdere obligaties van Van den Boogaard. Als pand stellen zij een obligatie van ƒ 2000 ten laste van de Generaliteit, een obligatie bij de Provincie Groningen en Ommelanden van ƒ 2000 en ten laste van Holland en West Friesland een obligatie van ƒ 1600. Deze obligaties dateren uit 1732 en 1734 en zijn door Elisabeth verkregen bij de scheiding van de boedel van haar schoonvader Hendrik van Oorde en nu afkomstig uit de boedel van haar eerdere man Willem van Oorde. Zij beloven deze schuld na een jaar te betalen, in goede Hollandse zilveren specie of in gouden rijders en staan daarvoor in persoon en goederen garant. Doen zij dit niet tijdig (‘in cas van delay’), dan mag van den Boogaard deze verkopen.

Schuld bij Jan Tack, medicinae doctor in Leiden

Vermoedelijk voor zijn houtkoperij heeft Gosewijn in juni 1761 bij schout en schepenen van Veur verklaard ƒ 8000 verschuldigd te zijn aan Jan Tack, medicinae doctor in Leiden. De jaarlijkse rente bedraagt 4 %. Op 23 juni 1763 moet de eerste ƒ 2000 afgelost zijn; vervolgens ieder jaar op de verschijndag ƒ 2000 met rente. Onderpand zijn de twee zaagmolens, huizen en schuren, het erf. een partij land en de losse en vaste gereedschappen. Ook staat hij als persoon met al zijn overige roerende en onroerende bezittingen garant.

Van Dijk overlijdt voor februari 1769, nadat hij in 1767 in het Verbeterhuis in Delft is opgenomen. Vermoedelijk heeft Martinus van Oorde, een zoon uit het eerste huwelijk van Elisabeth dan al enige tijd mede in opdracht van zijn moeder het beheer over de houtkoperij. Eenmaal weduwe verkoopt Elisabeth in 1769 de houtkoperij en de zaagmolens aan Arnoldus Theodorus Zoodaar.