Houtspreekwoorden

Uit Toen Leidschendam-Voorburg
Versie door PeterVieveen (Overleg | bijdragen) op 5 apr 2017 om 22:14

(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar:navigatie, zoeken

SPREEKWOORDEN EN GEZEGDES over MOLENS, HOUT en ZAGEN

Hij loopt met molentjes (hij is niet goed wijs)

Dat zullen we God en de molenaar laten scheiden (hier is geen oordeel over te vellen)

Een stille molen maalt geen meel (men bereikt niets zonder te werken)

Wie het eerst komt, die het eerst maalt (de eerste die komt is het eerst aan de beurt)

De molen is door de vang (er is geen houden meer aan)

Dat is koren op zijn molen (dat komt hem goed van pas)

Die in de molen komt, wordt licht bestoven (men wordt beïnvloed door de mensen met wie men omgaat)

Daar is wat in de molen (daar is welvaart)

Gij rommelt als een molen, doch ik zie nog geen meel (je doet wel belangrijk, maar ik zie geen resultaat)

Dat is al lang in de molen geweest (hierover is lang geleden al beslist)

Hij heeft een klap van de molen gekregen (hij is niet meer helemaal bij zijn verstand)

Twee harde stenen malen zelden fijn (twee mensen die niet willen toegeven kunnen niet samenwerken)

De molen naar de wind keren (zich gedragen naar de omstandigheden)

Niet alle molenaars zijn dieven (scheer niet iedereen over de zelfde kam)

Dat ligt als een molensteen op mijn hart / Dat hangt als eenmolensteen om mijn nek (dat is een zware last)

Mijn molen maalt niet meer (mijn gebit is slecht)

De molen door de vang laten lopen (alles loopt in het honderd)

Het is een schone dag zei de molenaar en het waaide (ieder preekt voor zijn eigen parochie)

Zolang de ezel zakken draagt, heeft de molenaar hem lief (iemand wordt geprezen zolang hij zijn werk goed doet)

Tegen windmolens vechten (een nutteloze strijd aangaan)

Ambtelijke molens draaien langzaam (de overheid werkt traag)

In de tredmolen lopen (geestdodend werk doen)

Zonder wind kan de molen niet draaien (zonder eten kan een mens niet werken)

Alle hout is geen timmerhout (niet iedereen beschikt over de zelfde kwaliteiten / niet alles is van goede kwaliteit)

Dat snijdt geen hout (dat bewijst niets)

Een houten klaas zijn (nooit iets leuks willen doen)

Er klopt geen hout van (het is geheel onjuist)

Dat is een pleister op een houten been (dat is een nutteloos voorstel)

Op een houtje bijten (honger hebben)

Iets op eigen houtje doen (iets zelfstandig doen)

Uit het goede hout gesneden zijn (een goed karakter hebben)

Van dik hout zaagt men planken (niet al te zorgvuldig werken)

Dat is brandhout (dat heeft geen waarde)

Een houten kop hebben (hoofdpijn hebben na te veel drank)

Schepen van hout, mannen van ijzer (echte zeelui)

Hout naar het bos dragen (overbodig werk doen)

Als de vogels scholen, zorg dan voor hout en kolen (als de vogels verder trekken is er kou op komst)

Met een boor kunnen zagen en met een zaag kunnen boren (onmogelijke werkzaamheden verrichten)

Iemand doorzagen (iemand langdurig ondervragen)

De poten onder iemands stoel uit zagen (iemands positie ondermijnen)