In 1771 had de menagerie bij de buitenplaats De Grote Loo een zodanige omvang bereikt dat Willem V, die inmiddels de stadhouderlijke taken van zijn overleden vader had overgenomen, een toezichthouder noodzakelijk vond. In deze verantwoordelijke functie benoemde hij in ditzelfde jaar Arnout Vosmaer. Een betere keuze had hij niet kunnen maken. Arnout Vosmaer had in korte tijd grote befaamdheid gekregen als verzamelaar en kenner van naturalia, met bijzondere belangstelling voor het dierenrijk. Zijn grootste slag had hij geslagen in 1752, toen hij de even beroemde als omvangrijke verzameling van de in 1736 overleden Amsterdamse apotheker Albertus Saba wist te verwerven. Geen wonder dat prinses Anna, de moeder en regentes van de jonge erfprins Willem V, Vosmaer in 1756 benoemde tot directeur van het stadhouderlijke naturaliënkabinet. Kort na deze benoeming bezochten de erfprins en zijn moeder Vosmaers verzameling. Beiden waren zeer geïmponeerd en vrijwel niet weg te slaan van wat zij zagen. Al snel daarna werd Vosmaers gehele collectie, waaronder de verzameling afkomstig van Seba, toegevoegd aan het kabinet van de stadhouder. Wegens ruimtegebrek werd dit in 1766 overgebracht naar een ruim en deftig hoekpand aan het Haagse Buitenhof, dat door Vosmaer vaak werd aangeduid als 'het Museum van Zyne Doorluchtigste Hoogheid'.
Behalve met verzamelen hield Vosmaer zich ook bezig met het beschrijven van naturalia. Zo was hij nauw betrokken bij de voltooiing van de twee laatste boekdelen waarin Seba's collectie werd beschreven. Daarna was Vosmaers deskundigheid nogmaals gebleken uit de reeks kleine geschriften die hij publiceerde over de bijzondere dieren die de stadhouder in bezit had, hetzij levend in de menagerie dan wel opgezet of op sterk water in het stadhouderlijke kabinet. Tussen 1766 en 1787 verschenen in totaal 31 afleveringen over deze zeldzame schepselen. Veel van de exotische dieren kreeg de stadhouder cadeau, vaak van de gouverneurs van koloniale gebieden in Afrika, Azië, en Zuid-Amerika. Het was daarbij iedere keer weer spannend of de dieren het lastige transport, meestal per schip van de Oost- of West-Indische Compagnie, zouden overleven. Eenmaal in Nederland was de overlevingskans trouwens ook minimaal. De dood van zo'n zeldzaam dier werd overigens niet echt betreurd. Het dode dier bood een goede kans om het ook inwendig te bestuderen, waarna het in geconserveerde vorm steevast een welkome aanvulling vormde voor het stadhouderlijke natuurkabinet. Uiteraard bracht het toezicht op de menagerie van stadhouder Willem V voor Vosmaer extra werk mee. Gelukkig betekende dit niet het einde van de reeks beschrijvingen van 'de zeldzaamste en verwonderenswaardigste schepselen der natuur'. Integendeel, hoewel na enkele jaren de regelmaat afnam, zagen hierna toch nog diverse belangwekkende afleveringen het licht.
Achteraf leek het bosvarken toch minder onschuldig dan Vosmaers beschrijving deed vermoeden. In 1777 speelde zich op de vorstelijke menagerie een klein drama af met het varken als hoofdschuldige. Slachtoffer van dit drama werd een klein hertenbokje dat in juli 1774 uit de Kaap de Goede Hoop, 'uit het land der Caffers', veilig was aangekomen in de diergaarde van Voorburg. Dit 'springbokje' werd ook wel 'pronkbokje' genoemd, aangezien het z'n achterlijf dat evenals de rest van de rug kastanjebruin was, naar believen pronkzuchtig wit kon maken. Het bleek een levendig, gezond diertje dat vooral gras, sla en groentes at, maar verder vooral verzot was op tabak, zelfs op snuiftabak. Het kon rechtstandig wel drie tot vier voet hoog springen. Dankzij zijn verwarmde hok kwam het diverse winters goed door tot het jaar 1777 aanbrak. In de nazomer van dit fatale jaar liep het afgezonderd in de wei van de diergaarde. Het door Vosmaer eerder beschreven breedsnuitige varken ondergroef 's nachts de omheining, joeg het springbokje op dat zich door zijn noodsprongen zodanig verwondde dat het enige dagen later stierf. Deze onverwachte dood van het dier gaf Vosmaer de kans het raadsel van de witte metamorfose te ontrafelen. In het achterlijf bleken zich onder de bruine haren witgekleurde te bevinden, die het dier via spieren over de bruine heen kon schuiven.
'[…] de schitterende en veranderende glans der veeren heeft iets, 't geen het volmaakste penceel niet kan af schetzen; de schoonste koleuren, en de kunst van de mengeling derzelven, zyn te zwak om de Natuur hier in naar te volgen'. Dit gold met name voor de ijsvogeltjes, waarvan Vosmaer er diverse beschreef: de 'zeer fraaien, zeldzaamen, of misschien geheel onbekenden Amerikaanschen langstaartigen Ys-Vogel' overgebracht uit De Berbice, 'een verwonderbaar fraai Amerikaansch Ys-Vogeltje, hebbende byna geen staart' eveneens uit de Berbice en tenslotte 'twee zeer fraaie, kortstaartige Oost-Indische Ys-Vogeltjes'. Overigens kwamen ijsvogeltjes ook in Holland voor. Met kennelijk genoegen constateert Vosmaer dat die monogaam leven, hetgeen niet altijd van andere gezegd kan worden: 'Zonder ons in de beuzelachtige vertelsels der Ouden in te laaten, kan men met zekerheid dit volgende zeggen, ten opzicht der leevenswyze van onze inlandsche Ys-Vogelen. Zy houden zich, voor al in den broeityd, met paaren by een en schuuwen dus, in tegenstelling van anderen, de veel-wyvery'. Bij het vrijwel staartloze Amerikaanse Ys-Vogeltje vermeldt Vosmaer dat door een fout van de lettersnijder ten onrechte de naam van Schouman onder de afbeelding staat. Dit had G. van den Heuvel moeten zijn. Hoe klein die Ys-Vogeltjes in het echt zijn, blijkt uit Vosmaers mededeling bij de Oost-Indische Ys-Vogeltjes dat zij op ware grootte zijn afgebeeld. Het vogeltje op de bovenste tak is 'wegens deszelfs leevendiger koleuren' het mannetje. Het vogeltje eronder zou 'wegens de mindere levendigheid in koleur, het wyfje kunnen zyn'. Bij de beschrijving van de eveneens fraai gekleurde 'Amerikaanschen Lyster' komt Vosmaer nogmaals terug op de veronderstelling dat de vrouwtjes minder fel gekleurd zijn: 'wy zyn verplicht hier aan te merken, dat deeze veronderstelling alleenlyk rust op eenige waarneemingen van sommige Ornithologici, welke de koleur der vrouwelyke soorten doorgaans minder schoon en zwakker vinden. Een stelregel, welke, hoewel zy by sommige soorten doorgaat, echter andersints, door dagelyksche ondervinding beweezen kan worden aan genoegzaame tegenspraak onderworpen te zyn'.
Collectie Duijvestein Americaansch Lyster, Quereiva, S. Fokke-A. Schouman, met de hand gekleurd uit Vosmaer, 19,5 x 16 cm |
Collectie Duijvestein Oost-indische Ys-Vogeltjes, S. Fokke-G. vandenHeuvel, met de hand gekleurd uit Vosmaer, 19,5 x 16 cm |
Collectie Duijvestein Americaansch Ys- Vogeltje, S. Fokke-A. Schouman, met de hand gekleurd uit Vosmaer, 19,5 x 16 cm |
Collectie Duijvestein Langstaartje Ys-Vogel, S. Fokke-A. Schouman, met de hand gekleurd uit Vosmaer, 19,5 x 16 cm |
Een andere auteur, Edwards, had in zijn boek een andere kleine Loeri afgebeeld, afkomstig uit Bengalen. 'Deeze is in 't voorleedene jaar, leevend, aan Zyne Doortl. Hoogheid toegezonden. [...] Het spreekt, verscheide woorden, zeer duidelyk en fluit zeer fraay. Het legt zich neder op den rugge, speelt met bek en pooten, met iemands hand. Op den vloer gezet, huppelt het, even gelyk een Mosch, iemand achter na. Het danst op zyn stok en op den vinger van die het neemt, telkens, met eene zeer duidelyke en lieffelyke stem, loeri roepende. Dit aangenaame Diertje is thans het vermaak van Haare Koninklyke Hoogheid, Mevrouwe de Princesse van Oranje en Nassauw enz. enz. enz. De koleuren van deezen Vogel zyn veel schoonder en leevendiger, dan die door den Heer Edwards verbeeld zyn', aldus Vosmaer. Aan het eind van zijn beschrijving geeft hij nog aan dat Papegaaien een hoge leeftijd kunnen bereiken, althans als ze voor die tijd niet zijn opgegeten; hun vlees schijnt zeer smakelijk te zijn. Onbeschroomd voegt Vosmaer een keukenrecept voor een smakelijke bereiding toe, na eerst nog te hebben aangegeven dat sommige papegaaien ook dronken kunnen worden: 'De Papegaayen kunnen zeer oud worden, ik ken 'er een, welken men zeker weet dat naby de honderd jaar by eene Famillie geleeft heeft. Dit niet tegenstaande zyn zy heel zeer aan de vallende ziekte onderhevig, voornaamelyk, de zogenaamde Loeries. Het beste hulpmiddel hier tegen is hun brood, zeer natgemaakt, met eene goede quantiteit gestampt Hennip-zaad te vermengen. De Oost-Indische Loeries vereisschen doorgaans natter voedzel dan de Amerikaansche Papegaayen. Het is ook zonderling van deeze Vogelen, dat het zaad der Katoen-boom hun dronken maakt, en dat der wilde Saffraan, 't geen een sterk Purgeermiddel [laxeermidde[] voor den Mensch is, door hun zonder schaade gebruikt word [...] Het vl[esch dezer Vogelen is eene zeer goede spyze. Labat, die zegt meer papegaaijen in Amerika, dan Patryzen in Europa, gegeeten te hebben, verzekert zulks, zeggende, dat het vleesch der jongen zeer aangenaam en sappig is, het zy gestoofd, aan 't spit, of in Wyngaard-bladen gebraaden. Van de Oude Vogels bereid men een goede Soupe'.
Hoe die oude vogels gevangen moeten worden laat Vosmaer niet onvermeld: 'De oude worden in Brazil met zeer lange pylen, welkers punt met kattoen zeer dik omwonden is, uit de boomen geschooten'. Bij de andere gaat het wat gemakkelijker: 'Die men verkiest in het leven te behouden, om te leeren praaten, worden zeer jong uit de Nesten gehaald'.
Langs de Broeksloot staat een beeldengroep bestaande uit witte dieren die paradijselijk dicht tegen elkaar aan staan, alsof er in de dierenwereld een volmaakte harmonie heerst. De naam van de Voorburgse beeldhouwer is Marian Gobius en op een plaquette staat vermeld wat dit in 1961 geplaatste kunstwerk voorstelt: 'Herinnering aan een uitmuntende verzameling van zeldsaame gedierten bestaande in Oost- en Westindische viervoetige dieren, vogelen en slangen weleer levend voorhanden geweest zijnde in Voorburg op de Groote-Loo van Z.D.H. den Stadhouder Willem V'. Ze zijn gehaald uit de titelpagina van het befaamde boek van de directeur van de genoemde dierentuin, Arnout Vosmaer. Tussen 1766 en 1787 had hij, in 32 losse deeltjes, een belangwekkende, fraai geïllustreerde beschrijving gepubliceerd van bijzondere dieren, die in het bezit waren van stadhouder Willem V. Vosmaer was in 1799 overleden. In 1804 werden alle losse deeltjes, aangevuld met twee extra afleveringen, opnieuw uitgegeven, ditmaal gebundeld in een boek met als titel 'Regnum Animale'. In deze heruitgave waren weer alle zorgvuldig ingekleurde gravures opgenomen die de losse deeltjes hadden gesierd. Het titelblad van de heruitgave vermeldde: 'Natuurkundige beschryving eener uitmuntende verzameling van zeldsaame gedierten bestaande in Oost- en Westindische viervoetige dieren, vogelen en slangen weleer levend voorhanden geweest zynde, buiten Den Haag, op het Kleine Loo van Z.D.H. den Prins van Oranje-Nassau'. Geen enkele toeschouwer weet nu nog dat Vosmaers vermelding Kleine Loo veelal ook de Voorburgse Grote Loo omvatte.
Het grootste dier is een ezeltje, dat vriendschappelijk tegen een bokje aan staat. Twee pelikanen zitten geduldig aan zijn voeten. Het bokje kijkt enigszins weemoedig richting Oosteinde. In het familiearchief Vosmaer is een aardige notitie gevonden van Arnout Vosmaer. Dit betrof een verzoek aan zijn bediende om een antwoordbriefje te schrijven aan bedoelde 'Mevrou van der Beke' over een bokje. Weliswaar was het in een soort telegramstijl geschreven maar de bedoeling is toch wel duidelijk: 'Bij Mevrouw van der Beke mijn complimenten te maken, en te zeggen het mij wel leed is zich zoveele zwarigheden opdoen tot het verkrijgen van de gewilde Bengaalsche Bock. Dat ik geen liefhebber zijnde van veranderingen, bij mijne gedaane ruiling blijf, en liever noch eenige tijd zal wachten ter verkrijging van de gemelde Bok, voor welke ik reeds niet weeken, maar maanden geleeden, het gevraagde gewillig gegeve hebbe, op conditie van de Harte Bok tegens den zomer te hebben, om bij de wijfjes, die alleen in de Diergaarde van Zijn Dr Ht zijn, jongen te konnen teelen. s'Hage 17 Junij 83'. Naast het bokje staat nog een fazant, waarvan een tweede exemplaar naast het ezeltje staat. De grootste verrassing is echter het diertje dat zo stilletjes bij het bokje zit, dat men pas bemerkt als je er vlak voor staat. Het is een aapje dat er wat triest bij zit als een eenzame, ontvoerde vreemdeling, voorgoed weggerukt uit zijn zonovergoten oerwoud. Vosmaer heeft over aapjes uitvoerige verhalen in zijn boek geschreven.
De eerste aap die Vosmaer in 1768 beschreef, is volgens het titelblad een 'langstaartige Aap-soort by den Inlander gewoonlyk genaamd Quatto en by de Hollanders Bosch-Duivel of Slinger-Aap'.
Bosch-Duivel, of Slinger-Aap, S. Fokke-A.Schouman, met de hand gekleurd uit Vosmaer, 19,5 x 16 cm]] De Quatto kwam vooral voor in Suriname en de naam Bosduivel had hij gekregen vanwege zijn zwarte kleur. De geleerden blijken het niet eens over de vraag wat nu eigenlijk een Aap is. Na andere omschrijvingen te hebben besproken, schrijft Vosmaer dat hij zelf tot de volgende definitie was gekomen: 'een dier van menschelyk vernuft en spraak ontbloot, dat echter door gebaarden, manieren, en in al zyn doen, den mensch als schynt naar te aapen, en in sommige zyner leedemaaten meer of min gelykt'. Een belangrijke eigenschap van slingerapen is, volgens Vosmaer 'hunnen alles aangrypenden staart, waar mede zy, gelyk de Elefant, met zyn snuit, alles konnen aanvatten. Eenige jaaren geleeden zag ik deezen Aap voor den eerstenmaal te Amsterdam, in de Diergaarde van den Heer Bergmeyer. Hy was met een ketting en ring vastgemaakt aan een lang gespannen koord, en wist zyn staart om dat koord zo vast te slaan, dat hy, zonder zich verder vast te houden, daar aan hing, allerleie grimassen maakte en verwonderlyk slingerde. Wanneer men hem den staart om de hand liet slaan, kneep hy daar zo vast mede dat het zeer deedt. De natuurlyke geaartheid van deeze soort is zich zelve niet kwaadaartig; echter speelen zy nu en dan den valschaart,voornamenlyk wanneer zy wat teveel naar hunnen zin geplaagd worden'. Die valsheid werd ook door reizigers in Suriname gemeld, zoals door de heer Wafer, die vertelde: 'Deeze Meerkatten zyn zeer potsachtig, en rechten veele kuuren aan als men door de Bosschen gaat, springenden van den eenen tak op den anderen met de jongen op hunnen rug; zy grynsden ons leelyk toe, en pisten ons, als zy er de gelegenheid toe hadden, op 't hoofd'. Bij sommige van hun eetgewoonten kwam hun staart goed van pas: 'vruchten is hunne gewoonlykste en gelieffte spyze. Men verzekert dat zy Visch in het waater weeten te vangen met hunnen staart'. Overigens was het beschreven dier in 1768 zelf niet meer in leven: 'De quatto van deeze beschrtyving is uit Surinamen overgebracht, en, na eenigen tyd in de alombekende Diergaarde van den Heer Bergmeyer geweest te zyn, aldaer gestorven. Daar na is hy, volmaakt wel opgezet, by verkooping van eene byzondere verzameling, en tot zeer hoogen prys, door my, voor het Vorstelyk Museum, gekogt, alwaar dezelve thans bewaard word'.Twee jaar later beschreef Vosmaer een tweede aap, eveneens een slingeraap uit Suriname of zoals Vosmaer het noemde: 'eene zeldzaame Amerikaansche nog niet beschreven Slinger-Aap-soort genaamd de Fluiter'. Vosmaer gaf aan dat dit een vriendelijk soort was, met een goed geheugen. Als iemand hem kwaad deed, onthield hij dat: 'Dit slach van Aapen is niet kwaadaartig, maar in tegendeel, van eenen goeden inborst; sommige menschen echter mogt hy in geenen deele lyden, mogelyk door het een of ander kwaad hem voorheen aangedaan, want tegen dezulken toonde hy eene byzondere geheugnis te bezitten'. Evenals de vorige aap vermaakte hij zich door, hangend aan zijn staart, heen en weer te slingeren. Hoe sterk zo'n staart wel was, bleek uit het verhaal van ene heer Schilling. Die vertelde 'dat Hy eens [in Suriname] in het Bosch zynde, eenen dezer Aapen schoot, die, dood zynde, echter met zynen Staart aan eenen Tak bleef hangen, en welken hy dus wegens de hoogte niet kon bekoomen'. Een bijzondere eigenschap van dit soort was verder dat sommige konden fluiten. Het door Vosmaer beschreven exemplaar verstond die kunst meesterlijk. Dit deed hij overigens alleen voor zijn plezier want als hij boos was, schreeuwde hij luidkeels. Het mannetjesdier hield er overigens een vreemde hygi�ne op na: 'Dikwyls wiesch hij zyn geheelen aangezigt met zyn eigen water, 't geen hy te dien einde in zyn Voorpooten daar toe opving'. Ook de even merkwaardige culinaire gewoonten van het dier had Vosmaer bestudeerd: 'Gelyk byna alle andere Dieren van zyn Geslacht, at en dronk hy schier alles; maar inzonderheid was hy een groot Liefhebber van Eyeren, en van Spinnekoppen, die hy overal opzocht. Zeer graag dronk hy Genever, op welk een en ander de Stalknechts in des Vorsten Ry-School, daar hy alhier verscheide Jaaren geleefd heeft, hem nu en dan al eens onthaalden'. Het was geen wonder dat ook dit dier het niet lang heeft overleefd. Toen het werd opgezet voor 'het Stadhouderlyk Museum' maakte de opzetter een fout door het einde van de staart recht te houden, terwijl dat meestal omgebogen was. Dezelfde fout was daardoor ook in de afbeelding geslopen, aldus Vosmaer.
De laatste aflevering over apen schreef Vosmaer in 1778. Ditmaal ging het over de mensaap oftewel de 'Orang-Outang' van het eiland Borneo.Vosmaer legt uit dat deze naam 'Bosch-Mensch' betekent, een aap die 'regt overeinde op de achtervoeten [kon] gaan'. Ove[ dit dier was zoveel te verhalen dat er direct maar een dubbelnummer van werd gemaakt met uiteraard twee afbeeldingen. Vosmaer was al meer dan twintig jaar bezig geweest om zo'n 'Bosch-Mens' naar Holland te halen. Op sterk water was dit wel gelukt, maar een levend exemplaar bleek een groter probleem. Omstreeks 1774 waren door de 'Heer W. van Hogendorp, Resident op Rembang' twee levende exemplaren vanuit Batavia aan de stadhouder gezonden, maar deze waren, ondanks alle voorzorgen, onderweg gestorven. Vervolgens zou de heer Van der Beke bij zijn familie aldaar informeren naar een grote orang-oetang. Uiteindelijk gelukte het de heer Hemmy, koopman van de Kaap de Goede Hoop, om een exemplaar levend over te zenden voor de vorstelijke diergaarde. Zijn zoon had het dier een jaar eerder uit Batavia verstuurd. Op 29 juni 1776 ontving Vosmaer het bericht dat het orang-oetangvrouwtje behouden was aangekomen. Het was tot nu toe het tweede exemplaar dat levend in Holland was gezien. Om dit zeldzame dier goed te kunnen observeren en bestuderen hield Vosmaer het enige tijd bij zich thuis. Na een maand werd de toeloop van nieuwsgierigen echter zo groot dat Vosmaer besloot om het dier naar de dierentuin over te brengen, waar een speciaal plekje voor haar was ingericht. Daar leefde zij nog zeven maanden, lang genoeg om nog veel meer bijzonderheden te kunnen noteren. 'Zy lag vast aan een soort van ledere halsband, om den hals vastgemaakt met een hangslootje en redelyk lange yzeren ketting, en was dus op een zolder onder een zeer hoog dak gehuisvest'. Toch lukte het dit slimme dier om zich los te maken en zie zo'n lenig beest dan maar weer eens te vangen. Ze bleek bovendien buitengewoon sterk. 'Eens op eenen morgen by haar komende, vonden wy haar losgebrooken, zig dien halsband over het hoofd gehaald hebbende, zy klom met eene verwonderenswaardige vaardigheid tegen de schuinsche balken en latten van het dak, en vier menschen hadden meer dan een uur werks, om haar weer, en den halsband over 't hoofd te krygen. By deze gelegenheid, waar by ik zelfs wilde helpen, bespeurden wy eene meer dan gewoone kracht in derzelver Spieren'. De orang-oetang had ondertussen haar kortstondige vrijheid uitermate menselijk gevierd: zij had 'onder anderen een gekurkte fles, waar in eenige Mallagawyn was, geopend, leeg gedronken, en weder op dezelfde plaats neder gezet'. Om herhaling te voorkomen werd de ketting met een kram in de vloer vastgezet waardoor de bewegingsvrijheid van het beest verder werd ingeperkt. Hierna deed het slimme dier nog twee vergeefse ontsnappingspogingen. De ene keer probeerde zij met een stukje hout het hangslot open te maken, nadat zij had gezien hoe Vosmaer dit met een sleuteltje had gedaan. De tweede keer probeerde zij de kram waarmee haar ketting in de vloer zat, eruit te krijgen met behulp van een spijker die zij blijkbaar uit de muur had getrokken. Verder was het volgens Vosmaer best een lief schepsel: 'Zy was van eene onbegrypelyke goedaartigheid, nimmer heeft men haar eenige blyk van kwaadaartigheid zien toonen, men kon haar veilig de hand in den mond steeken'. Toch had de gedwongen verhuizing van het zonnige oerwoudleven vol speelkameraadjes naar een stil en eenzaam vochtig hok, haar geen goed gedaan. Geen wonder dat zij iets droefgeestigs over zich kreeg: 'In haar uiterlyk had zy iets droevigs [...] Zy beminde[het gezelschap van menschen, zonder onderscheid der Kunne te maaken, alleen gaf zy de natuurlyke voorkeur aan die haar dagelyks oppasten en goed deden, en toonde alleen aan deze meerder bewyzen van vriendschap'. Zo'n blijk van vriendschap werd een oppasser bijna fataal. Of was het toch de angst om alleen gelaten te worden die de sterke aap er toe bracht zich heftig aan haar oppasser vast te klampen? Alleen met haar lievelingsvoer lukte het haar te bewegen om de omhelzing te verbreken: 'Eens op een tyd by haar komende, vond ik den Oppasser in groote verlegenheid. Het Dier lag aan een yzeren ketting met een ring aan eene lange yzeren opstaande staaf. Ik vond hem opstaande, met den Aap op zyn borst, hem onbeweegbaar vast houdende met de voor- en achter voeten, alles was vruchteloos om hem los te maaken, eenige aarbeijen op een schoteltje aan haar latende zien, liet zy eindelyk los en kwam af om die op te eeten'. Zij at overigens alles wat men haar gaf: brood, wortelen, vooral gele peen en alle vruchten. Zij hield erg veel van aardbeien en verder was zij gek op 'Aromatique als pietercelie-wortel of petercelie'. Goede tafelmanieren kende zij ook: 'Men had haar geleerd met een lepel en vork te eeten; gaf men haar aardbesiën op een bord, dan was het aartig te sien hoe zy dezelve, een voor een, met de vork in de mond stak, terwyl zy het bord of schoteltje in de nadere hand of poot vast hield'. In tegenstelling tot andere apen was zij geen liefhebber van insecten of spinnen. Haar vrijheidsdrankje was haar blijkbaar goed bevallen: 'Haar gewoone drank was water, doch zeer graag dronk zy allerley wyn en byzonder Mallaga; gaf men haar een flesch, zy trok er de kurk met de hand af en dronk 'er zeer wel uit, gelyk mede uit een bierglas, en gedaan hebbende, veegde zy, even gelyk een mensch, de lippen af, het zy enkeld met de hand of met een doek'. Had zij dit tijdens de scheepsreis geleerd? Het was bekend dat zij op het schip veelal mocht loslopen en vaak met het scheepsvolk speelde. Ook bij het slapen gaan vertoonde zij menselijke trekjes: 'Zig ter ruste willende begeeven, schikte zy het hooy waar zy gewoonlyk op zat, schudde het op en bragt meer hooy by een, daar zy met haar hoofd op lag [...]'. Later werd[het nog merkwaardiger: 'Haar rustplaats dus naar gewoonte gemaakt hebbende, nam zy eenen by zig hebbende linnen doek, spreidde dien op den grond regelmatig en glad uit, toen nam zy eenig hooy en leide dat in 't midden van den doek, trok de vier punten van den doek 'er over en by een, nam het voorzigtig op, bragt het op haar bed, ging 'er met het hoofd op leggen, het dekkleed over haar lyf trekkende'. Zij was verder opvallend proper en handig. Dat was al gebleken toen zij in Holland arriveerde. Sommige heren konden daar hun voordeel mee doen: 'By derzelver eerste aankomst wierd zy in eene Kamer geplaatst, digt by een Noteboomen Kabinet, verscheidemaalen nam zy eenen by zig hebbende doek, en veegde met denzelven, zeer zindelyk, het stof van den voet van het Kabinet. Dikwyls eenige Heeren gelaarst by haar komende, nam zy somswylen, een by haar liggend aschbezempje en veegde de Laarzen zeer schoon af. Zeer handig maakte zy de Gespen der Schoenen van de by haar komende Heeren los, zo goed als een Knegt zulks konde doen'. Na enige maanden in redelijke welstand in de dierentuin te hebben verbleven stierf 'dit verwonderlyke voorwerp' zoals Vosmaer haar omschreef. Toch blijkt uit zijn beschrijving van de aangrijpende doodstrijd van het aapje een zekere bewogenheid. In November werd 'het arme Dier' ziek, 'zy zat te beeven met eenen vry sterken afgang, dan eene kleene gift van Rhabarber scheen alles te herstellen. Maar dit duurde niet lang, want kort daarna verviel zy in eene zeer trieste en uitteerende ziekte, van welke zy den 22 Januarij 1777 stierf. Volgens bericht kreunde zy eenigen tyd voor haar dood zeer sterk, waarop de gorgel in de keel en eenige doodsnikken volgden, na dus omtrent zeven maanden hier geleefd te hebben'. Het tumult dat korte tijd later in hofkringen losbarstte, had niemand voorzien.
Merkwaardig is de toevoeging die Vosmaer tussen haakjes plaatst bij zijn beschrijving van de ziekte en het snelle overlijden van de orang-oetang. Hij noemt dit 'volgens eene loffelyke gewoonte der Diergaarden'. Waarschijnlijk wilde hij daarmee aangeven dat dit dode dier een welkome aanvulling vormde voor het museum van zijn werkgever, Willem V. Ook nu weer nam Vosmaer direct alle maatregelen om het gestorven dier op te zetten en de ingewanden op sterk water te bewaren voor dit stadhouderlijke kabinet. Onbedoeld haalde hij zich daarmee echter de woede op de hals van ene prinses De Gallitzin, de echtgenote van de Russische ambassadeur. In een onbewaakt ogenblik had Willem V haar het toekomstige lijk van de aap beloofd, zodat zij het op haar beurt weer genereus kon schenken aan professor Camper, de beroemde ontleedkundige, met wie zij blijkbaar bevriend was. Eveneens was zij bevriend met de filosoof François Hemsterhuis, bij wie zij haar beklag deed. Die kwam vervolgens op tamelijk grove wijze verhaal halen bij Vosmaer. Vosmaer was zich van geen kwaad bewust, want Willem V had verzuimd hem tijdig op de hoogte te stellen van 'de schenking'. De gemoederen liepen zo hoog op dat deze ruzie als 'de orang-oetang-oorlog' in de boeken bekend is geworden. Hemsterhuis sommeerde Vosmaer met een briefje waarin het verbale venijn duidelijk in de staart zat: 'De kist met al hetgeen van de oerang-outang overig is [...] moet, zoo ras [ls hetzelve in gereedheid zal zijn, bij mij gezonden worden, of ik zal dezelve laeten haelen, voor 't overige blijf ik met de gevoelens, die uwe handelwijze verdiend'. Vosmaer, die naar eer en geweten had gehandeld, wendde zich rechtstreeks tot Willem V. Deze was eerst 'horribel kwaad' maar keurde achteraf de handelwijze van Vosmaer volledig goed. Gezien de gedane toezegging gaf hij echter wel de opdracht 'het cadaver' aan Camper te doen toekomen. Het opgezette omhulsel van de aap bleef daarbij in het kabinet van de stadhouder. Aan het slot van zijn beschrijving van de orang-oetang die al die commotie na zijn dood veroorzaakte, wijdt Vosmaer enkele woorden aan deze onverkwikkelijke zaak. Met name, schrijft hij, verdient het onjuiste, zojuist gepubliceerde verhaal van de heer Foster een 'korte weerlegging'. Foster had in 1777 te Londen een boek uitgegeven met verhalen over zijn reis rond de wereld. Daarin stond ook een tamelijk gekleurde weergave van de hofrel rond de orang-oetang die volgens Vosmaer geheel 'besyden de waarheid' was. Maar hij vergaf het Foster, 'als vry ongelukkig misleid zynde, met toewenschinge, dat zulke onwaarheden geenen invloed op de Leezers zyner Reize mogen hebben; vermits de meesten veel al vorderen, dat een Reiziger de zaaken die hy verhaald, dikwyls van meer dan eene zyde beschouwd, en wat verder ziet, dan zyn Neus lang is'.
'Beschryving van de zeer zeldzaame langstaartige ruw-geschubde Slang-Hagedis [...] gelyk mede de zeldzaame Africaansche glad-geschubde Worm-Hagedis van de Kaap de Goede Hoop'. Vosmaer begint zijn beschouwing met zich te verontschuldigen dat hij weinig levendige en amusante bijzonderheden te vertellen heeft over de geaardheid en eigenschappen van deze dieren. Dat heb je nu eenmaal met zeldzame en onbekende dieren. Sommige schrijvers kiezen er dan voor 'eenen Roman of eene verdichte Historie der Schepselen te geeven', verzucht Vosmaer. Hij zelf voelt daar echter niets voor. Hij blijft zijn eigen weg bewandelen met een goede afbeelding en daarbij behorende wetenschappelijke beschrijving van het levenloze exemplaar in het museum van de vorst. Tekenaar G. van den Heuvel heeft hierbij weer goed werk verricht door beide door Vosmaer beschreven schepselen in een afbeelding te vereeuwigen. In hetzelfde betoog hekelt Vosmaer in een tamelijk ingewikkelde zin zowel de bijgelovige als de ongelovige mens. Vrij vertaald zegt hij dat het bijgeloof, door bedrog voortgeholpen, van het beschreven dier een zevenkoppig monster heeft gemaakt, terwijl het ongeloof de aanwezigheid van poten bij slanghagedissen, heeft misbruikt 'om de Goddelyke Opeenbaaringen te ontzenuwen'. Immers de bijbel vertelt hoe bij de zondeval in het paradijs de slang door God werd bestraft met de opdracht om in het vervolg voor altijd 'voetenloos op den buik te kruipen'. Met erop te wijzen dat slanghagedissen wel poten hebben, proberen sommigen nu de juistheid van dit verhaal en dus van de bijbel in twijfel te trekken. Wat die voetjes of vinnetjes betreft, merkt Vosmaer op dat ze zo zwak zijn dat hun functie erg onduidelijk is. Het grote verschil tussen een hagedis en slang zit volgens hem vooral in de oren en ogen: die zijn bij een hagedis 'geheel ontbloot van eenig overdeksel'. In 1774 geeft Vosmaer ook nog een beschrijving en afbeelding uit van 'twee verschillende en voor als nog zeer weinig bekende Platstaart Slangen, zynde de Bruin-Rug uit Mexico, en de Geringde uit de Indische zeen'. Ook deze dieren bevinden zich in het museum van Willem V. Over de herkomst schrijft Vosmaer: 'Dit zeldzaam voorwerp ontdekte ik, onder andere fraaije zaaken, toen voor verscheide Jaaren, by de oprichting van het Kabinet, door wylen Haare Koninklyke Hoogheid, Glorieuser Gedachtenisse, de Verzameling van den Heer de Lassaraz, voor het Cabinet gekogt wierd'. Verder valt er ook over deze dieren weinig bijzonders te melden. De naam zegt eigenlijk al voldoende over hun voornaamste eigenschap.
Het afgebeelde dier kwam uit Ceylon en was iets groter dan een gewone huiskat. Veel weet Vosmaer niet te vermelden over de eigenschappen van het dier, aangezien hij het alleen in opgezette staat heeft kunnen bestuderen. Maar de goede afbeelding 'voegt wederom eene schakel aan de kennis der natuurlyke weezens, welke men met verwondering beschouwen moet'. De Muis-Hond had Vosmaer wel levend kunnen observeren. Eigenlijk was dit geen juiste naam. Hoewel de geleerden het er niet over eens waren of dit nu een rat, otter, das, wezel of fret was, een hond was het zeker niet. Het dier kwam reeds voor in het oude Egypte, vandaar dat hij ook wel 'Rot van Pharao' werd genoemd. Het had daar een nuttige eigenschap: het verslond 'met eene ongelooflyke begeerte' de eieren van krokodillen. Dit voorkwam, aldus Vosmaer, dat deze gevreesde dieren zich razendsnel zouden vermenigvuldigen. Vandaar dat de oude Egyptenaren 'aan dit berucht Diertje [...] Godlyke eere beweezen'. Vosmaer had de beschrijving van 1772 dan ook de titel meegeven 'Oostindischen Krokodillen-Dooder, genaamd Ichneumon'. Het dier werd op 16 juli 1768 vanuit Oost-Indië naar de vorstelijke diergaarde verzonden, maar na aankomst besloot Vosmaer het bij zich te houden: 'De zeldzaamheid van dit voorwerp, in deze Landen, deed my besluiten, hetzelve by my in myne Kamer optevoeden'. Over zijn eigenschappen schrijft Vosmaer: 'Deszelfs geboorteplaats was Bengaalen. Het was menschlievende, voor elk even mak en handelbaar, gelyk een klein Hondje; speelende nam het de vingers in zyn bek, zonder in het allerminste te byten; het sliep des avonds dikwils by my, in myn Japon zittende'. Het at geen brood, wel vlees, kersen, peren en ander fruit en uiteraard eieren 'die het behendig verbrak en uitzoog. [...] Op het laatst van den Winter wierd het kaal boven op den staart, en door jeukte, zekerlyk, beet hy dien, tegen allerley genomene voorzorge, gedurig open, waar op hetzelve eindelyk, na omtrent een jaar by my geleefd te hebben, stierf'.
Er zijn meer kleine dieren te bewonderen in Vosmaers beschrijvingen. Zo noemt hij in 1771 'eene geheel nieuwe of onbekende soort van Amerikaansche langstaartige, en eekhoornachtige klaauwen hebbende Wezel, Potto genaamd, overgebragt uit de Hollandsche volksplanting Surinamen'. Bij aankomst in de diergaarde was het reeds ziek, zodat het enkele dagen daarna stierf. 'Het weinige, 't welk men in de Diergaarde heeft kunnen ontdekken, bestaat alleen hierin: het maakte een fyn kirrend geluid. Het sliep zeer veel, met den ongewoonen langen staart om den hals geslingerd'. Vier jaar eerder had Vosmaer een eekhoorn beschreven, een vliegend soort: 'eene geheel nieuwe of onbekende soort van Oostindischen grooten en langstaartigen Vliegenden Eekhoorn'. Van dit dier had Vosmaer twee, slechts kort levende, exemplaren gezien in de vorstelijke diergaarde. Echter zij 'sliepen genoegsaam den gantschen dag; sterk aangespoord wordende deeden zy wel eenen kleinen en als vliegenden sprong, doch kroopen terstond weg, als zeer vreesachtig zynde. Zy beminden, gelyk de gemeene [=gewone] Eekhoorn, by uitstek de warmte, kruipende, als men hen ontdekte, zo ras mogelyk, onder de wolle lappen, waarin men hen liet rusten. [...] tegen den nacht waaren zy meer in beweeging'.
Deze vrijmoedige beschrijving werd eerst na zijn dood, in de uitgave van 1804, toegevoegd. Allereerst geeft Vosmaer aan dat het woord duif afgeleid is van een Grieks woord dat 'het hoofd onder het water houdende' betekent. Dit is precies wat deze diertjes doen als zij water drinken. Daarna verdiept de schrijver zich in hun liefdesleven: 'Zy zyn zeer tot de liefde geneigd, waarom ze ook door de Grieken aan de Godinne Venus gewyd waren. [...] Het Mannetjen d[t by ons den naam van Doffer draagt, en zich door zyne grovere stem voornamentlyk onderscheidt, is zeer trouw voor het Wyfjen [...] wanneer hy de aenprikkeling tot vereeniging gevoelt [...] zweevende gestadig, met uitgespreiden staart rondom haar, welke tekenen van liefde door het Wyfjen met een dof gekor beandwoord worden, en de paring, onder een aanhoudend trekkebekken, dezelver beslag krygt'. Bij het warmhouden der eieren zijn beide betrokken: 'Het Wyfjen legt liefst in den namiddag, en als zy heure twee eyeren glegd heeft, zit zy, geduurende vyftien daagen, van drie of vier uuren in den namiddag op dezelven te broeden, tot 's anderen daags negen of tien uuren, wanneer zy door den Doffer afgelost en vervangen wordt'. Toch is in de dierenwereld niet alles koek en ei. Ook bij duiven komt huwelijksontrouw, liefdesjalouzie [minyver] en zelfs ec[telijke ruzie voor: 'De Doffer betoont de zichtbaarste blyken van minyver, wanneer zyn Duifjen zich door een anderen Doffer heeft laten dekken'. Hij ontwijkt haar daarna zo veel mogelijk maar 'zo hy genoodzaakt is haar te ontmoeten' komt het tot een gevecht. Somtijds is het ook in de dierenwereld bij de beesten af. Dit gold zelfs al in de oudheid: 'De ouden hebben reeds waargenomen dat de Wyfjens zich, by gebrek aan Mannetjens, met elkander paaren, en daar na, alle dagen, tot den achtsten toe, een onvruchtbaar ey legden'. Ook partnerruil was niet onbekend: 'als ook dat twee Doffers elkanders Wyfjens, waarover zy onvergenoegd [ontevreden] waren, m[t elkander verwisseld hebben, en vervolgends, elk met zyne verruilde gade [partner], vreedzaam [eefden'. De vlucht van tamme duiven is niet hoog maar wel snel. Omdat zij zeer honkvast zijn, keren zij steeds terug naar hun dagelijkse verblijfplaats. Vandaar dat zij van oudsher ook als briefdragende boodschappers werden gebruikt. Bij het beleg van Leiden in 1572 is daar, volgens Vosmaer, dankbaar gebruik van gemaakt. Verder memoreert hij de heilzame werking, volgens sommigen, van duiven na hun dood: 'Men wil dat eene Duif, kort na de dood opengesneden, en nog warm tegen de voetzoolen van een krankzinnigen gelegd, het bloed van de hersenen aftrekke en alzo de ylhoofdigheid geneeze'. Verder heeft, naar men zegt, het nog lauwe duivenbloed een genezende werking op ontstekingen, vooral als het met Spaanse vlieg wordt vermengd. Na vele bekende soorten duiven opgesomd te hebben, waaronder de hokduif, de houtduif, de lachduif, de tortelduif en de ringduif, komt Vosmaer bij de door hem beschreven onbekende soort, de 'Ceilonsche Kaneelduif'. Uitzonderlijk fraai zijn de kleuren die deze duif vertoont en die in de afbeelding door Schouman nauwkeurig zijn weergegeven. In 1804 werd ook nog een tweede vogel toegevoegd aan de verzameling beschrijvingen: 'Beschryving van eenen zeldzaamen Afrikaanschen nog niet beschreevenen naakthalsigen Nimmerzat of Wulp'. Dit dier was afkomstig van de Kaap de Goede Hoop, waar het de naam 'Bosch-Kalkoen' droeg. Dit laatste was, aldus Vosmaer, weer een duidelijk voorbeeld van de vele misleidende benamingen die vaak aan dieren werden gegeven. Deze vogel had niets met een kalkoen te maken. Hij behoorde tot de 'Steltlopers' gezien de overduidelijke kenmerken daarvan: 'zynen langen hals, zyne tot byna aan de knie�n bevederde lange pooten'. Verder hoorde het dier duidelijk tot de trekvogels: 'die hunne woonplaatsen min of meer naar de veranderingen der Jaargetyden verwisselen'. Zij leefden in waterrijke, moerassige gebieden en bij rivieren en meren 'alwaar zy zich voornamentlyk voeden met kikvorschen, kleine vischjens en wormen, welke zy met hunnen daartoe zo juist geschikten, langen priemvormigen, en aan deszelfs einde seisvormige neerwaards omgebogen bek, zeer behendig weeten uit den grond te haalen'. Dit 'door den beroemden Vogel-Schilder A. Schouman' nauwkeurig afgebeelde dier, had de diergaarde van de stadhouder levend bereikt. Hoe lang hij daar heeft geleefd, wordt door Vosmaer niet vermeld.
Vosmaer schrijft hierin dat de geleerden het er niet over eens zijn of het beschreven en afgebeelde dier een op zichzelf staande diersoort is, of een variant van 'den wilden Stier, uit de wildernissen by ons overgebragt, die, om zo te spreeken, huisselyk is geworden'. Hij houdt het op het laatste. Over de herkomst vertelt hij vervolgens: 'In het Jaar 1766. kwam Monsieur Lodewyk Singeis, geboortig van Worms, met dezen Bison in 's Haage. Hy berichtte my, dat dezelve in 't Noorden van Mississipi, by de kleine Rivier Arreco, in het laatst van het Jaar 1763. gevangen was; dat dezelve nog kort voor zyn vertrek twee Koeyen [...] had gedekt; doch [at hy niet wist wat daarvan geworden was. Dat zy in het wild, by trouppen van tien tot twintig, alle achter elkander loopen, en de Koey nog grooter dan de Stier is'. Dat zij bij vleeseters geliefd zijn, was bekend. Enkele andere merkwaardigheden laat Vosmaer echter ook niet onvermeld: 'Dat hun vleesch niet alleen zeer goed, maar zelfs van eenen uitmuntenden wilden smaak is. Dat zy zeer sterk loopen, en, vervolgt wordende, de steenen die zy ontmoeten achteruit werpen. Hier te zien zynde, scheen my dit dier zeer mak, en van eenen goeden aart. Het stond dikwils op de achtervoeten, liet zich vry wel behandelen en aanraaken. Zyn gewoone winter-voeder was hooy; doch veel liever at het brood. Des Zomers graasde het, even als onze Runderen, in de Weiden'. Twaalf jaar later volgt de publicatie over een minder mak dier: 'Beschryving van een nieuw viervoetig dier, aan de Kaap de Goede Hoop geheeten: Boschbuffel, en by de Hottentotten aldaar genaamd Gnou'. Voor Europa was dit beest een primeur: 'Voor de eerstemaal, in Europa levendig overgebragt in de Diergaarde van Zyne Doorluchtigste Hoogheid'. Dat deze primeur zijn aanwezigheid niet ongemerkt voorbij liet gaan en zelfs tot het ontslag van de oppasser leidde, blijkt uit het vervolg. Op 14 juni 1774 kwam 'dit zonderlinge schepzel' in de diergaarde aan, met een begeleidend schrijven van de Gouverneur van de Kaap, waaruit bleek dat dit dier bij aankomst nog geen twee jaar oud was. Uiteraard werd dit bijzondere dier traditiegetrouw nauwkeurig afgebeeld: 'Eenige weeken na deszelfs aankoomst, is hetzelve door den Heere Schouman, voornaam Kunstschilder, met alle mogelyke oplettenheid in teekening gebragt, naar welke deeze bygevoegde afbeelding gemaakt is'. Na enkele jaren bleek het mannetjesdier oftwel de bul, behept met kwaadaardige eigenschappen. Geregeld 'sloeg hy met de voor- en achtervoeten, en trachtte ook met zyn hoornen [...] te stooten [...].[In de Diergaarde loopende, jaagde hy dikwyls de Bengaalsche Harten, enz.'. Op 15 juli 1776 werd de diergaarde verrijkt met nog een Gnou uit de Kaap, ditmaal een vrouwtje. Men hoopte dat haar aanwezigheid vertederend zou werken op het mannetje. Het tegendeel bleek al spoedig het geval: zij werkte juist als de bekende rode lap op de stier. Het ging met het mannetjesdier van kwaad tot erger met uiteindelijk een tragische afloop. 'Zyne kwaadaartigheid van dag tot dag toeneemende, en wel byzonder tegens het wyfje, 't geen merkelyk kleender en my ongeveer ruim een jaar jonger toescheen, was men genoodzaakt den Bul of het mannelyke soort, aan een sterk en redelyk lang touw in de weide vast te leggen, ten einde het wyfje, of de andere dieren, waar by hy liep, niets kwaads te kunnen toebrengen'. Toch liet het drama niet lang op zich wachten. Vier weken later vond de Bul 'geleegenheid, zich van het touw los te breeken, liep met zulk eene woede, dat het wyfje, zich van benaauwdheid niet weetende te bergen, met het hoofd tegens eene paal van het roosterwerk aansloeg, met de hoornen tusschen de latten van hetzelve verwarde, zich in de lendenen bezeerde en daarvan eenige dagen hierna stierf'. Maar ook de hoofdschuldige overleefde het incident niet: 'De Bul, na met veel moeite opgevangen, en weer vast gelegt te zyn, had zich ongetwyfeld insgelyks, met de hoornen tusschen de latten van het roosterwerk, 't welk de Diergaarde omringd, bezeerd, hetgeen de geschondene en afgebrookene punten zyner hoornen genoeg aanwyzen, en stierf dus meede korte dagen daarna'. Als zondebok van het gebeurde werd de opzichter der diergaarde aangewezen en ontslagen. Het tegenovergestelde van onstuimige hartstocht was daarentegen 'de Vyfvingerige Luiaard'. Deze werd op 25 juni 1768 opgezonden vanuit Bengalen en door Vosmaer in 1770 beschreven. Na aankomst besloot Vosmaer het dier, ondanks zijn minder prettige geur, enige tijd bij zich te houden: 'De zeldzaamheid van dit Dier, gevoegd by myne nieuwsgierigheid om het van naby waar te neemen, deed my, in weerwille van de onaangenaame reuk, besluiten, het zelve onder myn eigen opzigt, en zelfs in myn Kamer by my te neemen'. Een levendige kamergenoot was het niet, integendeel. Voorzichtig opporren mocht daarbij niet helpen: 'Den geheelen dag sliep hy tot aan het vallen van den avond, en, in den Zomer hier zynde, wierd hy niet eerder wakker dan om half negen uuren. [...] Wakker zynde, was[zyne beweeging ongemeen traag. [...] Werd hy gejaagd, [et een stokje door de tralien te steeken en hem aan te stooten, dit mocht weinig baaten; dwong men hem hier mede te sterk, dan beet hy in den stok, en dit was alle zyne verweering'. De voortdurende slaperigheid en traagheid van dit beest wekt, volgens Vosmaer, de ene keer medelijden en de andere keer afkeer. Tijdens zijn observaties slaat hij zelfs de komische verzuchting dat het, gezien de traagheid van dit dier, een raadsel is hoe het ooit tijdens de bijbelse zondvloed de ark van Noach heeft bereikt. Toch moeten wij respect hebben voor de ondoorgrondelijke wijsheid waarmee 'de groote Werkmeester' alles heeft beschikt en geordend. Als men goed kijkt 'zal men zien, dat de verachte Mol, eene eeuwige duisternis bewoonende, gelukkig leeft. Dat een Dier, gelyk de Luiaard, om zoo te spreeken, alleen geschikt om by nacht te leeven, alleen tot een bewooner van het geboomte gesteld [...], overeenkomstig n[ar zyne levenswyze gevormd en geschikt is'. Het is maar goed dat dit dier van nature zo traag is, anders zouden er maar ongelukken gebeuren: 'waar toe zoude hem de gezwinde beweeging dienen? Zoude deeze hem in het donkere, op de takken der boomen voortkruipende, niet aan ongelukken blootstellen?' Uit de waarnemingen van Vosmaer werd duidelijk dat eten het eerste was wat de luiaard deed, als hij langzaam wakker was geworden. Met die eetgewoonten deed Vosmaer uiteraard uitvoerige proeven, vaak onder het belangstellende oog van de stadhouder en anderen. Daarbij bleek dat hij Lindeboomblad niet lustte. Peren en kersen waren echter meer van zijn gading. Droog brood en beschuit at hij gretig maar natgemaakt liet hij het liggen. Van eieren was hij een groot liefhebber, eveneens verorberde hij gaarne een levende vogel. Een van Vosmaers experimenten wees uit dat de luiaard, ondanks zijn traagheid, zo'n vogel met een grote behendigheid en trefzekerheid wist te verschalken. Hoewel het dier zeer gezond leek, stierf het toch na enkele maanden op 26 september, tot groot verdriet van Vosmaer, die nog veel meer proefnemingen met het dier in gedachten had.
Nog veel korter duurde het leven van een ander dier, dat in 1780 arriveerde met ook de vorstelijke diergaarde als eindbestemming, en dat drie jaar later werd beschreven. Het ging hier om een 'nog genoegzaam onbekend Africaansch Dier, aan de Kaap de Goede Hoop, bekend onder de verkeerde benaaming van Eland, doch by de Hottentotten aldaar genaamd Canna'. Vele jaren eerder, omstreeks 1748, had de gouverneur van de Kaap ook al twee van deze dieren gezonden aan de toenmalige stadhouder Willem IV. Die had ze ondergebracht in zijn diergaarde op Het Loo in Gelderland. Vosmaer schrijft dat hij door een gelukkig toeval ontdekte dat het mannetjesdier indertijd 'door den overleeden Heer Hofschilder Haag, naar het leven was afgetekend. De Heer Haag, de Zoon, thans diezelfde plaats bekleedende met een gelukkig gevolg, byzonder in het schilderen van Paarden en andere Dieren, had de goedheid my deeze bygevoegde afbeelding ter hand te stellen'. Hierdoor aangemoedigd gelukte het Vosmaer ook, na een korte speurtocht, de vroegere oppasser van deze dieren te vinden. Die kon Vosmaer nog allerlei bijzonderheden over het afgebeelde dier vertellen. Zo was het, volgens de oppasser, gelukt het mannetje als een paard voor een koets te spannen. 'Dezelver geaartheid was in allen opzichte goedaartig, zoo dat men hun zonder de minste vreeze dorst naderen en behandelen. Men hadt zelfs het manlyk soort, zonder veel moeite geleerd tusschen de boomen van een chais [koets] te loopen en na[r de toom te luisteren. Het kon, doch niet lang, ongemeen hard voor de Chais loopen, en zelfs harder dan een Paard [...]. Nadat deeze vree[de Dieren eenigen tyd vrywel in de Diergaarde geleefd hadden, men denkt omtrend twee Jaaren [zijn] beide aan eene u[t-teerende ziekte gestorven'. Toen Haag de bijgevoegde afbeelding van het dier maakte, was het reeds ziek, waardoor het de gebruikelijke levendigheid in de ogen en in de houding mist. Dat de naam Eland voor deze dieren onterecht is, blijkt uit het feit dat de hoornen recht zijn en aan de onderkant schroefsgewijze gedraaid, in tegenstelling tot de 'breedbladerige hoorns' die een echte Eland draagt. Tot grote vreugde van Vosmaer kwam in 1780 het bericht van de heer baron van Plettenberg, de gouverneur van de Kaap, dat hij wederom verschillende dieren voor de vorstelijke diergaarde bij Voorburg had verzonden waaronder een jonge Kaapse Eland. De vreugde was echter van korte duur. Bij de ontscheping kwam het dier ongelukkig terecht en arriveerde in de diergaarde 'in zulk een ellendigen toestand, dat dezelven, weinige uuren naar zyn aankoomen alhier, is gestorven'. Het enige dat Vosmaer restte, was de juistheid van de vroegere afbeelding verifi�ren en constateren dat deze zogenaamde Eland 'by zyn stervend leeven [...] eene allerzachtzinn[gste geaartheid' toonde alsmede 'eene meerdere leevendigheid welke zich in het oog en de gedaante scheen aan te duiden, dan in de hierby verbeelde afteekening'.
Het dier dat zo uitvoerig door Vosmaer wordt beschreven is 'het nog weinig bekende, en 't allerhoogste van de viervoetige, Dieren, die, in de afgeleegene Wildernissen van Africa, gevonden worden, en 't welk aan de Kaap de Goede Hoop bekend is, onder den naam van Kameel-Paard (Camelopardalis). En by oude en laatere Schrijvers onder dien van Giraffe'. Veel bladzijden worden gevuld met beschouwingen over de namen waaronder oude schrijvers reeds over dit dier hebben geschreven. Zelfs Mozes wordt als 'den Oudsten en gewijden Joodschen Geschiedschryver' geciteerd om de vraag te beantwoorden of de bijbel met een 'Zemer', die door Israelieten gegeten mocht worden, dit Kameel-Paard heeft bedoeld. Ook de Romeinen, Grieken, Ethiopiërs, Arabieren en vele andere nationaliteiten blijken dit dier vanaf de Oudheid te hebben gekend onder verschillende benamingen. Een oude Vlaamse dichter heeft er zelfs een 'Rymwerk' in Gothische letters over geschreven, waarin dit dier Oralphus wordt genoemd. In andere middeleeuwse geschriften komt ook wel de naam Seraffa voor. De naam Kameel-Paard is gemakkelijk te verklaren: 'Dit Dier heeft de kop van een Kameel, de hals van een Paard, de pooten, de staart en de dyen van een Os'. Vosmaer vindt dat dit dier het beste kan worden ingedeeld bij de kamelen, met als beste benaming: 'Giraffe, of gehoornde en gevlakte Cameel'. Het bleken lieve dieren te zijn: 'De geaartheid der Giraffen wordt alom, als uitmuntende in zachtzinnigheid opgegeeven, zelfs zoo, dat men dezelve, met een dun koord aan het hoofd gebonden, waar men wil, kan heenen leiden'. Uit oude afbeeldingen bleek overigens een merkwaardig kenmerk van dit grote beest: 'Het agterlyf is lager dan het voorgedeelte van 't Ligchaam 't geen aan dit dier een zittende gestalte schynt te geeven'. Vosmaer betwijfelde of de achterkant in werkelijkheid wel zo laag was. Zijn probleem is echter dat hij dit dier nog nooit in het echt heeft mogen aanschouwen. Niettegenstaande de regelmatige scheepvaart op de Kaap, was het nog niemand gelukt dit kolossale dier levend in Holland te krijgen. Wel had het stadhouderlijke museum een exemplaar gekregen in onderdelen: alle botten van het geraamte en de complete huid. Het skelet was voor het museum weer in elkaar gezet door 'den bekwaamen ontleedkundigen Heere Onymos M.D.'. Vosmaer was zo verstandig om voor de beschrijving van dit geraamte de hulp in te roepen van de befaamde anatoom professor Petrus Camper. Diens opmetingen en bevindingen werden aan het einde van Vosmaers beschrijving volledig afgedrukt met een fraaie afbeelding van 'het geraamte van de Camelopardalis, 't welk in het Kabinet van Z.D.H. den Heere Prinse van Orange gevonden wordt'. Dat genoemde professor niet alleen verstrooid was, maar ook uiterst nauwkeurig, blijkt uit de laatste mededeling van hemzelf aan het einde van zijn verslag: 'Ik hebbe zelf dit Geraamte tweemaalen gemeeten in December 1785. en weder den 2 July 1786. om dat het my ontgaan was, dat ik dit reets met naaukeurigheid verrigt hadde: dog t' huisgekoomen vond ik myne eerste aanteekeningen, welker maaten, met de laatste vergeleken zynde, volmaakt overeenstemden'. De andere tekening van de giraffe 'in zynen natuurlyken stand' was reeds eerder gemaakt aan de hand van de complete huid. Weer kwam het probleem van het lage achterlijf om de hoek kijken. De hoogte van dit achterlijf bleek volgens de gedroogde huid wel erg laag uit te vallen. Vosmaer liet de hoogte in de definitieve afbeelding uiteindelijk bepalen door de aanwijzingen van Camper: 'Dan by ondervinding weetende, hoe weinig men zich op zodaanige buiten 's Lands bereide vellen kan betrouwen, zoo heb ik liever myn' Teekenaar dien stand aan het dier doen geeven, welken de Heer Camper het genoegen deedt [...] meedetedeelen'.
Het Binnenhof en het vroegere stadhouderlijke kwartier. Hier had Vosmaer met een bediende in 1757 zijn eerste woonruimte gekregen, in een torenkamer die leeg stond omdat bijgelovige tongen hardnekkig beweerden dat die toren behekst was en dat het er regelmatig spookte. Eronder lagen de vertrekken waar de stadhouderlijke verzamelingen met onder andere de opgezette dieren waren ondergebracht. Overigens heeft Vosmaer tijdens zijn verblijf hier geen enkel spook kunnen ontdekken. Na de lage poort naar het Buitenhof staat rechts op de hoek een huis met een hoge timpaan en imponerend veel luiken. Daarheen werden de door Vosmaer beheerde en steeds groeiende verzamelingen van Willem V in 1766 vanuit het Binnenhof overgebracht. De vele luiken hebben een fraaie kleur: sang de boeuf oftewel ossenbloed. Dichtbij dit pand bevindt zich het kleine museum dat nog een overgebleven gedeelte van de omvangrijke verzameling van Willem V herbergt, de schilderijen die de Fransen indertijd niet hebben meegenomen. Eigenlijk is het te gek voor woorden dat diverse door de Fransen geroofde Hollandse naturalia niet zijn teruggeven en zich nog steeds in Parijse verzamelingen bevinden. Links aan de Lange Vijverberg staat een lange aaneengesloten rij voornamelijk 17e-eeuwse panden. Op nummer 8 staat het indrukwekkende huis dat de vader van Anthonetta van Schuylenburch in 1715 liet bouwen naar een ontwerp van Dani�l Marot. Achter de rijk-geornamenteerde gevel heeft zij haar jeugdjaren doorgebracht, voordat zij huwde en uiteindelijk op Noordervliet terechtkwam. Direct achter deze huizenrij aan de Lange Vijverberg loopt de Hoge Nieuwstraat, waar in 1799 het sterfhuis van Vosmaer stond. Vosmaer was dus in feite de achterbuurman was de familie Van Schuylenburch. Als een soort kleine hommage aan Vosmaer, die in deze troosteloze straat stierf, lijken al die leuke straatnamen hier in de buurt iets met dieren te maken hebben. Zo schijnt de Kneuterdijk genoemd te zijn naar het tjilpen [knoteren] van de vele distelvinken [kneutertjes] die hier in vroeger tijden in groten getale voorkwamen. Van die grote vogelrijkdom in deze buurt getuigt ook de oude naam van de huidige Parkweg: het Nachtegalenpad. De oude Molstraat klinkt wat minder poëtisch en de Vos in Tuinstraat heeft zelfs iets dreigends. Merkwaardig eigenlijk dat de ooievaar uit het Haagse stadswapen in geen enkele straatnaam is vernoemd. In de 19e eeuw is wel een poging ondernomen om het Slop van de drie boeren om te dopen tot Ooievaarstraat maar dit ging niet door. Men gaf er uiteindelijk de voorkeur aan om dit Slop zijn originele naam van Warmoezierstraat terug te geven. Dan de Casuariestraat. Er wordt wel beweerd dat dit straatje werd genoemd naar de exotische vogel uit Oost-Indië die prins Maurits in 1616 voor zijn verzameling levende dieren aangeboden kreeg. Curieus is de wetenschap dat hier bij de hoek met de Houtstraat Margaretha van Mechelen heeft gewoond, met wie prins Maurits een buitenechtelijke verhouding had. Verderop komt de Lange Houtstraat uit op Het Plein, met zijn levendige kroegen en sfeervolle restaurants. Aan de linkerkant pronkt het voormalige Logement van Amsterdam al eeuwenlang met zijn prachtige gevel. Verder doorlopend komt men door een van de kortste straatjes van Den Haag, de Apendans. Die intrigerende naam schijnt weinig met een dansende aap te maken te hebben. Men vermoedt dat de naam is ontstaan omstreeks 1713 toen de Franse ambassadeur in de Casuariestraat stallen liet bouwen. Op een dichtbij gelegen plek die nu de Apendans heet, liet hij enkele bijgebouwen voor zijn gevolg inrichten. Die bijgebouwen werden 'appendences' genoemd, waarna de volksmond die naam, met enige spot, verbasterde tot apendans. Later, toen het oude Logement van Amsterdam als Oranjepaleis in gebruik werd genomen onder andere door prinses Marianne, werd een gedeelte van het Hofpersoneel in deze bijgebouwen gehuisvest. Deze behuizing werd toen officieel aangemerkt als de Appendentie. Dit versterkte uiteraard de eerder genoemde verbastering, welke kort daarna officieel tot straatnaam werd verheven.
Vrijwel alle dieren waren, levend dan wel opgezet, als krijgsbuit weggevoerd naar Frankrijk. Daar zijn de botten en andere geconserveerde restanten nog steeds te vinden in enkele musea. Hieraan was echter wel het een en ander vooraf gegaan. Zo waren op 13 juli 1786 twee olifanten, Hans en Parkie, aangekomen in de diergaarde te Voorburg, tot grote vreugde van Vosmaer. Die zag daarmee een lievelingswens in vervulling gaan. Omdat stadhouder Willem V de Franse dreiging echter steeds sterker ging voelen, besloot hij zijn kostbare dieren zo snel mogelijk over te brengen naar het veiliger geachte Loo bij Apeldoorn. Wel werd de twee olifanten nog enige tijd uitstel gegund, teneinde in Voorburg bij te komen van hun zeereis. Dagelijkse wandelingen in het Voorburgse moesten hen weer doen wennen aan het landleven. Na enkele maanden wilde de stadhouder echter van geen verder uitstel weten en werden de kolossale dieren naar hun nieuwe verblijf in Gelderland overgebracht. In november 1786 verhuisden ook de overige dieren naar Apeldoorn en kon Vosmaer zijn 'Reekenboek der Diergaarde' voorgoed afsluiten, met als laatste posten een uitgaaf van f 373,85 voor transportkosten, f 65,- halfjaarlijkse pensioenuitbetaling aan faisantier Van der Horst en een ontvangst van bijna f 3,50 'voor verkogte oude Duiven'. Ongetwijfeld met gemengde gevoelens bezegelde Vosmaer het definitieve einde van de menagerie bij Voorburg met een laatste notitie onderaan het 'Reekenboek': 'Afgedaan 1787. vermits het transp[or]t der Diergaarde naar 't L[o in Gelderland'. De geschiedenis leerde vervolgens dat de dieren ook bij het Apeldoornse Loo niet veilig waren. In 1796 werden ze door de Fransen triomfantelijk als krijgsbuit meegevoerd. Alleen de mannetjesolifant Hans weigerde aanvankelijk medewerking bij deze deportatie. Hij begon onmiddellijk de aangevoerde transportkooi af te breken en ook daarna wilde hij geen afscheid nemen van zijn vertrouwde omgeving. Uiteindelijk moest hij zich echter toch gewonnen geven, waarna hij, na een reis van een half jaar, zijn verdere leven als bezienswaardigheid te Parijs doorbracht, samen met zijn Parkie. Door een tijdige vlucht naar Engeland was het stadhouderlijke gezin een soortgelijke deportatie bespaard gebleven. Op 9 april 1806 stierf Willem V in ballingschap te Brunswijk. Zeven jaar eerder was Vosmaer hem voorgegaan. Die had van nabij eerst nog meegemaakt dat de Franse overheersers ook de met veel zorg verzamelde stadhouderlijke collectie opgezette dieren en andere kostbare voorwerpen naar Frankrijk hadden meegenomen. Uit pi�teit met de beroemde geleerde hadden de Franse autoriteiten weliswaar bepaald dat Vosmaer enkele voorwerpen uit deze door hem beheerde verzameling mocht uitzoeken om te behouden, maar een bittere pil bleef het allemaal wel. Kort daarna, op 14 januari 1799, overleed Vosmaer in zijn woning aan de Hoge Nieuwstraat te Den Haag en werd opnieuw een menagerie-hoofdstuk afgesloten.