Bijvliet

Uit Toen Leidschendam-Voorburg
Ga naar:navigatie, zoeken

Pastoor Joannes Meijbeek

Mocht ik de vorige keer een artikel schrijven over de roemruchte historie van onze St. Martinuskerken, dan nu het waargebeurde verhaal over een van de pastoors en wel de 18e eeuwse pastoor Johannes Meijbeek. Geen katje om zonder handschoenen aan te pakken, maar dat zijn pastoors in de regel toch al niet… Hij was een rasechte Amsterdammer, deze pastoor Jo(h)annes Meijbeek en bepaald niet zo zachtmoedig als zijn naamgenoot en naamgever, de apostel Johannes. En als je alles wat van hem bekend is op een rijtje zet, ben je geneigd te zeggen: 'en van de duvel niet bang!' Toegegeven. Het was bepaald geen pais en vree in de zeven Verenigde Provinciën op het eind van de 18e eeuw. In 1782 gaf een Overijsselse edelman, een zekere Johan Derk van der Capellen tot den Pol, openlijk uiting aan zijn patriottistische gevoelens door in een pamflet te schrijven: "Het is, mijn waarde medeburgers! niet sinds gisteren of eergisteren dat men U bedriegt en mishandelt; neen, ge zijt, om niet van vroeger tijden te spreken, nu sedert bijna TWEE eeuwen de speelbal geweest van ALLERLEI heerszuchtige lieden'. Uit het vervolg van de tekst blijkt dan vooral Prins Maurits de wind van voren te krijgen en dat vooral vanwege het feit dat hij de eerbiedwaardige patriot Johan van Oldenbarnevelt het zeventigjarige hoofd heeft laten afslaan! Wat dat nu met die andere Johannes, pastoor Johannes Meijbeek te maken heeft? Wel nu: hij was wat je noemt een volbloed patriot en had maar heel weinig op met de toenmalige leden van het Oranjehuis en de heersende adel. Een rasechte strijdvaardige Amsterdamse patriot dus, die zich niet gemakkelijk de les liet lezen, zoals uit het vervolg van dit verhaal moge blijken. Maar ook een pastoor, die het hier niet minder dan 28 lange jaren uithield. En met 'hier' bedoel ik dan de St. Martinusparochie, die ook toen al in feite de parochie was van heel Voorburg. Joannes Meijbeek begon zijn priesterlijke loopbaan in 1768 in Noordwijkerhout en kwam via die plaats in 1779 in Voorburg terecht. En hier bleef hij dan pastoor tot het jaar 1807. Intussen heeft de goede man wel de tijden meegemaakt van de Franse revolutie in 1795, de zogenoemde Franse tijd, de Bataafse Republiek en het Koninkrijk Holland onder het broertje van de ijzervreter Napoleon, Lodewijk Napoleon (1806-1810. Hij kwam hier als pastoor van een zogeheten 'statie', een tot kerkje omgebouwd buitenhuis aan het Oosteinde, 'Bijvliet' genaamd. Met heel veel vijven en zessen had Meijbeeks' voorganger kans gezien het oude bouwvallige kerkzaaltje weer wat op te knappen. Als het er echter van de buitenkant maar niet als kerk uitzag, dan mocht dat. Zelfs de vensters mochten geen 'kerkelijk' aanzien hebben. De ingang was niet aan de weg, maar aan de kant van de Vliet.

En dat pastoor Meijbeek een volbloed patriot was moge blijken uit het volgende. In het jaar onzes Heren 1793 laat de pauselijke internuntius Cesare Brancadoro een herderlijke brief rondgaan waarin hij steun vraagt voor het wankele Huis van Oranje. Pastoor Meijbeek weigert vierkant de brief van de kansel voor te lezen aan zijn parochianen. Dat loopt dan zo hoog op dat Zijne Doorluchtige Hoogheid, de pauselijke internuntius, zich in hoogsteigen persoon vervoegt bij de 'pastorije'. Stelt u zich voor hoe het er aan toe gegaan moet zijn, als de geschiedenisschrijvers vermelden: "in gramstorigheid verliet hij de pastorije"!… Daar -in het Oosteinde- heeft Zijne Doorluchtigheid dan de gelegenheid verder 'door te luchten'… Pastoor Meijbeek had nog steeds een stille hoop dat hij zich nog eens pastoor mocht noemen van de oude -voormalige- Sint Martinuskerk, die aan de Herenstraat dus.

In de eerste Grondwet van 1798 stond een zinsnede met de inhoud, dat, als bleek, dat in bepaalde gemeenten het aantal katholieken groter was dan het aantal protestanten, de kerk weer moest worden teruggegeven aan de katholieken. Maar ook al maakte het aantal katholieken in 1796 méér dan de helft uit van de plaatselijke bevolking, toch kreeg de pastoor hierin niet zijn zin. In 1801 had men namelijk bepaald, dat ieder kerkgenootschap in het bezit mocht blijven van het kerkgebouw die het op dat moment bezat. Het zat pastoor Meijbeek overigens al eerder niet echt mee. Toen hij zo'n vijf jaar pastoor was in Voorburg moest hij vluchten. Vluchten voor de Pruisische bajonetten. Na een jaar ongeveer schreef hij aan de aartspriester (soort missiebisschop) dat hij zich niet echt op zijn gemak voelde "wegens den naren kommerlijken toestand zijner gemeente bij zijn retour wegens vaderlandsche troubelen". Daarenboven werd hem het leven bar zuur gemaakt door de burgemeester en de Oranjegezinde gemeenteleden. Dat moet dan onder burgemeester Mr. Hermannus Johannes van Royen zijn geweest die hier schout was vanaf 1768 tot 1790. Het lijkt mij historisch volkomen op zijn plaats om deze mannetjesputter van een pastoor met een straatnaam te gedenken. Want wat lees je elders over deze geboren Mokumer?

In 1803 had de patriottische pastoor een kwestie met zijn kerkmeesters. Het conflict van de pastoor met zijn kerkmeesters liep zo hoog op dat zij en bloc aftraden. De parochianen wilden echter dat de pastoor geschorst zou worden als kerkmeester. Maar de strijdvaardige man had de sleutel van de geldkist in handen en een knap mens die dat hem zou ontfutselen. De tegenpartij diende een 'request' in bij het gerecht om de pastoor te dwingen de sleutel van de geldkist af te geven. Ze kregen gelijk en een gerechtsbode werd gemachtigd bij de pastoor de sleutel op te gaan halen. Maar de pastoor was niet echt op zijn achterhoofd gevallen: 'kom de sleutel maar halen, maar de kist staat wel in een kamertje waarvan ik de sleutel niet heb!' De gerechtsdienaar had geen volmacht om het slot van de deur van dat kamertje te forceren… Het ligt een beetje voor de hand dat de pastoor de gerechtsdienaar zelf wel ietwat 'geforceerd' zou hebben als hij het waagde…!

Maar wie van ons werpe de eerste steen als de aartspriester over deze tijd meewarig schrijft: "Nu sloeg ik onmiddellijk de handen aan het werk, om in de openstaande pastorijen te voorzien, opdat de oeffening van godsdienst niet langer gestremt mogte worden; verscheidene pastors waren er, die om de vervolgingen van Vrij-Heeren of Bailluwen te ontgaan, of om zig voor de woede van een woest gepeupel te verbergen, zig van hunne posten afwezig gemaakt hadden: zooals gebeurde met de Eerwaarde Heer Johannes Meijbeek te Voorburg". Op 11 juli 1807 overlijdt pastoor Meijbeek en dan wordt een oude wens toch nog enigszins vervuld. Hij wordt op 15 juli van dat jaar begraven in een gekocht graf in… de Oude of Sint Martinuskerk aan de Herenstraat "in het 8ste plijn no. 18" Hij wordt opgevolgd door een als bedaard en wijs priester bekend staande man, pastoor Nicolaus de Jong. Hij zal in 1809 nog een -overigens tevergeefse- poging doen om de Oude Kerk weer in bezit te krijgen. Toch schreef in het jaar 1807 een zekere Ten Hulscher: "Een weinig buyten het dorp staat een fraaye, sedert weinige jaren nieuw-opgerichte kerk en pastorij. Het gesticht is nog bezwaard met een kleine schuld van ƒ 400,-"

Bernard Dijkman,