Dankzij de kracht van het paard

Uit Toen Leidschendam-Voorburg
Ga naar:navigatie, zoeken
Varen net als toen
Dia28.png
Trekvaarten
Adres
Lokatie ,
Jaartal -
Lees meer
Referentie
Categorie Object
ELV logo logo rgb-001.png

De trekschuit werd voortgetrokken door een paard. De knecht en het trekpaard volgden het jaagpad dat aan één kant van de vaart lag. De lijn van het paard naar de schuit was zo’n 60 meter lang. Als er in draf getrokken moest worden, werden er soms twee paarden ingezet. De schipper bediende het roer, de knecht maakte het touw los en vast en op het paard zat een derde bediende, die het paard over het jaagpad langs de vaart stuurde. Dit ‘jagertje’ was vaak een jongen van een jaar of veertien.

De meeste trekschuiten konden zo’n 24 tot 30 passagiers vervoeren. Een overkapping op de boot, denk aan een soort huifkar, zorgde ervoor dat de reizigers tegen weer en wind werden beschermd. Vanaf midden 17e eeuw voeren er trekschuiten met een 1e en 2e klas. De 1e klas was de roef, een soort huisje op de boot, met een uitgang aan de achterzijde van de trekschuit. Onderweg kon je in de roef lezen, praten, kaarten, tabak pruimen of roken uit een Goudse pijp. Passagiers van de 2e klas namen plaats in het ruim. Hier was aan één kant een opening om in- en uit te stappen en waar daglicht en frisse lucht doorheen kwam. In de 18e eeuw volgde nog een luxer type: met een serie vensters aan beide zijden van de tent en de roef. Het grootste type trekschuit had een lengte van 15,3 meter en een breedte van 2,6 meter en er konden zo’n 35 reizigers mee.

Het laten varen van trekschuiten in een regelmatige dienstregeling was een hele onderneming. De trekschuit tussen Haarlem en Leiden ging bijvoorbeeld acht keer per dag vanuit beide richtingen. De eerste schuit vertrok om 5.30 uur. De laatste om 23.00 uur, dat was de nachtschuit, waar je zelfs in kon slapen. De onderneming had schepen, paarden, stallen en medewerkers nodig. Aan de rand van de stad, bij de stadspoort, stonden vaak een paardenstal en een wachtlokaal. Hier kochten passagiers hun kaartjes voor een rit naar de volgende stad. Langs de route waren verder veel ‘voorzieningen’ nodig: een verhard jaagpad, bruggetjes, hekwerken, rollepalen, toiletten en commissaris- of veerhuisjes. De schippers moesten tol betalen bij de tolhuizen of tolhekken. Op die manier konden de steden wat extra geld verdienen voor het in bedrijf houden van de trekschuitdienst. Daarom stonden er vaak tolhuizen langs de trekvaarten. Passagiers van de trekschuit hoefden daar niet te betalen: zij hadden vóór vertrek al een kaartje voor de reis van stad tot stad gekocht.