De Haagweg

Uit Toen Leidschendam-Voorburg
Ga naar:navigatie, zoeken

De Haagweg

Een deftige weg naar de hofstad

In 1584 werd Willem van Oranje, de Vader des vaderlands, op het Delftse Prinsenhof met een dodelijk schot vermoord. Een jaar later legde zijn achttienjarige zoon, prins Maurits, voor de Staten van Holland en Zeeland de eed af als nieuwe stadhouder. Zijn politieke leermeester werd de twintig jaar oudere Johan van Oldenbarnevelt, die kort daarna de belangrijke functie van landsadvocaat van Holland ging vervullen. Binnen enkele jaren zouden ze echter verbitterde tegenstanders worden. Vanaf het begin hield Maurits zich vooral bezig met de oorlogsvoering tegen Spanje. Met enkele neven voerde hij belangrijke hervormingen door in het leger. Belegeringen en aanvallen werden vooraf goed uitgedacht en in plaats van onbetrouwbare huurlingen werden goed getrainde beroepssoldaten ingezet. Het werkte: Maurits veroverde de ene stad na de andere. De aanhoudende strijd vergde echter grote financiële offers. Omstreeks 1607 werd het streven naar een tijdelijk bestand met Spanje sterker. Van Oldenbarnevelt was hiervan een groot pleitbezorger. Maurits vreesde echter de onbetrouwbaarheid der Spanjaarden en wilde de strijd liever niet beëindigen. Omdat een meerderheid in de Staten-Generaal uiteindelijk toch voor het zogenaamde twaalfjarig bestand koos, moest Maurits morrend toegeven.

Collectie Duijvestein, Eigentliche Abbildung welcher gestalt Marquis Spinola Von Graf Maritzen bey dem Hage in Holland den 1 febr. 1608 empfangen worden, Ets/Gravure van Frans Hogenberg (1540- na 1596), Uit: Hogenberg's Geschichtsblätter, 1608, 23 x 28 cm

In de barre winterkoude van februari 1608 kwam de Spaanse veldheer Ambrogio Spinola met zijn gevolg van 150 edellieden naar Den Haag om over dit bestand te onderhandelen. Bij de Rijswijkse Hoornbrug werden de voorname gasten opgewacht door prins Maurits, die was vergezeld door de prinsen Frederik Hendrik en Lodewijk. Een grote menigte nieuwsgierigen was meegekomen. Diverse van hen hadden van de nood een deugd gemaakt en kwamen per slede over het ijs. Zij waren getuige van de beleefdheden waarmee de twee beroemde veldheren elkaar begroetten. Na de eerste 'heuschheden en omhelzingen' nam Spinola plaats in de karos bij Maurits. Geëscorteerd door de hellebaardiers van Maurits en toegejuicht door de vele omstanders, reden zij gezamenlijk over de Haagweg naar Den Haag. Die Haagweg was ondertussen getransformeerd van een modderig pad vol kuilen tot een statig verharde weg met fraaie populieren aan weerszijden. Zodoende vormde het een passende entree voor de hoge gasten van de hofstad, die dan ook steevast bij de Hoornbrug werden opgewacht. Dit gebeurde zelfs nog in 1753, toen de Franse koning zijn Marquis de Donac stuurde 'om de banden van onderlinge vriendschap nog nauwer toe te strikken'.


Voor prins Maurits werd de Haagweg overigens al snel een zeer vertrouwde route. Bijna dagelijks reed de prins, stipt om drie uur 's middags, via deze weg van Den Haag naar Rijswijk. Dichtbij de Oude Rijswijkse kerk had Maurits bezittingen met een stal en menagerie. Zijn stoeterij bestond uit 80 paarden, die hij zijn 'favoriete hovelingen' noemde. In de menagerie had Maurits een grote collectie exotische vogels ondergebracht. Zijn zeldzame Casuarievogels trokken veel belangstelling omdat ze gloeiende kogels en brandende steenkolen konden eten. Dichtbij de menagerie had de ongetrouwde Maurits ook een huis gekocht voor Margaretha van Mechelen, zijn minnares en levensgezellin. Bij haar verwekte hij drie 'speelkinderen', die aan het hof een adellijke opvoeding kregen en die later belangrijke functies mochten vervullen. Op weg naar zijn geliefde Margaretha en zijn stoeterij, passeerde Maurits iedere keer weer de Laakmolen. Vanaf de Haagweg had hij, zoals iedere voorbijganger, een goed zicht op het galgenveld direct naast de molen. In 1616 werden hier, op een rad naast de galg, de geradbraakte lichamen 'tentoongesteld' van Jean de Paris, een hoveling, en Jean de la Vigne, een lijfwacht van de prins. Die twee waren geëxecuteerd na een roofmoord op een juwelier in de prinselijke privé-vertrekken. Jarenlang konden Maurits en andere toeschouwers zien hoe de lichamen van de misdadigers volledig vergingen tot skeletten. Deze zaten nog op het rad, toen drie jaar later een politieke tegenstander van Maurits op ditzelfde galgenveld werd geëxposeerd. Dat deze voor de executie, ja zelfs voor zijn 'proces' al was overleden, vormde geen probleem. Hij werd toch gehangen, 'postuum' met doodskist en al 'tot leringhe ende vermaeck'.

Voor galg en rad langs de Vliet

Collectie Duijvestein, Ordinum Ultraiectensum Egidius a Ledenberg Secretarius, Gravure vermoedelijk van Chrispijn van de Passe (1564-1637), Uit: Memoryen ofte cort verhael der gedenckweerdighste sowel kercklicke als werltlickke Geschiedenissen van Nederland, Vrancrijck, Hoogduytschland, Groot Britannyen, Hispanyen, Italyen, Hongaryen, Bohemen, Savoyen, Sevenburghen ende Turkyen. Van den iaere 1603 tot in het iaer 1624, beschreven door Guliemum Baudartium van Deynse, Eerste deel, Tweede druk, Thiende boeck, na pagina 62, 16 x 12,5 cm

Het twaalfjarig bestand, dat van 1609 tot 1621 duurde, bracht de Nederlanden geen binnenlandse vrede. Er ontbrandde een heftige godsdienststrijd tussen de 'rekkelijke' remonstranten, onder leiding van Arminius en de 'strenge' contra-remonstranten, aangevoerd door Gomarus. Ook de spanningen tussen Maurits en Van Oldenbarnevelt kwamen tot een uitbarsting. Van Oldenbarnevelt was voorstander van een brede volkskerk met ruime tolerantie, ook voor de katholieken. Maurits verdacht hem hierdoor al snel van een pro-Spaanse gezindheid. Dit wantrouwen werd nog versterkt toen Van Oldenbarnenvelt de steden adviseerde eigen 'waardgelders' in dienst te nemen, tijdelijke krijgslieden onder hun eigen bevel. Maurits beschouwde dit als een ernstige inbreuk op zijn gezag. In augustus 1618 werd Van Oldenbarnevelt gevangen gezet, evenals enkele van zijn remonstrantse medestanders, waaronder Hugo de Groot, pensionaris van Rotterdam en Gillis van Ledenberg, secretaris van de Staten van Utrecht. Hugo de Groot werd in mei 1619 veroordeeld tot 'een ewige ghevangenisse' in slot Loevestein. Levenslang werd het echter niet. Op vernuftige wijze wist hij in maart 1621 te ontsnappen. De bejaarde Van Oldenbarnevelt werd ter dood veroordeeld wegens landverraad. Hij weigerde Maurits gratie te vragen voor een misdaad die hij niet had begaan. Op 13 mei 1619 werd hij, onder grote publieke belangstelling, onthoofd op een schavot voor de ridderzaal van het Binnenhof.

Collectie Duijvestein, Het Lyk van Gillis van Ledenberg, Ets/Gravure uit: Waarachtige historie van J. van Oldenbarneveld, Rotterdam, J. Naeranus, 1670, blz. 585

Voor Gillis van Ledenberg kreeg het verhaal eveneens een fatale afloop. Ook hij werd na zijn arrestatie beschuldigd van landverraad. Voordat het proces tegen hem kon beginnen, pleegde hij met een pennenmes en een broodmes zelfmoord in de kamer op het Binnenhof waar hij was opgesloten. Hij hoopte zo een veroordeling en een verbeurdverklaring van zijn bezittingen te ontlopen. Het was ijdele hoop. De fanatieke Staten-Generaal besloot de dode Ledenberg te laten 'pekelen'. Vervolgens werd het aldus geconserveerde lichaam veroordeeld om te worden gehangen en werden al zijn bezittingen in beslag genomen. Twee dagen na de onthoofding van Van Oldenbarnevelt werd de kist met het lijk van Ledenberg opgehangen aan de galg bij de Laakmolen, naast de resterende botten van Jean de la Vigne en Jean de Paris. Drie weken later mocht de weduwe, na herhaald aandringen, de kist met het dode lichaam van de galg halen om te worden begraven bij de kerk van Voorburg. Toch werd dit niet de laatste rustplaats van de veroordeelde. Er was namelijk geen rekening gehouden met de Voorburgse inwoners. Die liepen te hoop toen zij er achter kwamen dat op hun kerkhof een zelfmoordenaar was begraven, die bovendien smadelijk was veroordeeld en publiekelijk gehangen. Zo'n dode wierp een onaanvaardbare smet op het Voorburgse kerkhof en verlaagde het tot een galgenveld. Oogluikend werd daarom toegestaan dat 'twee ofte drie cleijne jongens' de kist opgroeven en in een greppel wierpen. Toen officiële instanties de Voorburgers ter verantwoording riepen, kreeg de baldadige dorpsjeugd de schuld. Ledenberg vond uiteindelijk zijn laatste rustplaats in de kapel van het Utrechtse slot Zuylen. Zo keerde hij terug naar de provincie, waarvan hij secretaris was geweest. In deze zelfde kapel zou in 1740 een van zijn verre nazaten, Belle van Zuylen worden gedoopt. Nog vele jaren na de ophanging van Van Ledenberg vertelden diverse tekeningen en gravures in geuren en kleuren het verhaal van deze 'gedenckweerdige geschiedenis'. De Staten Generaal probeerde, uit vrees voor onrust, de verspreiding van deze en soortgelijke prenten te verhinderen. Tevergeefs, ze bereikten in grote aantallen het volk, dat ze met gretigheid bekeek.

Bier met dodelijke afloop

Collectie Duijvestein, H. Slatius werd gevangen, Ets van S. Fokke (Amsterdam, 1-9-1712/Amsterdam, 10-4-1784), Uit: De vaderlandsche historie in themata, vervattende, in eene zaakelyke en tevens beknopte orde, alle de voornaamste gebeurtenissen, die van den aanbeginne des lands, tot heden toe, in ons land zijn voorgevallen, door A. Fokke Simonsz Amsterdam, A.B. Saakes, 1801, 8 x 5 cm

De onthoofding van Johan van Oldenbarnevelt zette veel kwaad bloed en lokte een wraakactie uit. De twee zonen van de onthoofde landsadvocaat, Reinier en Willem van Oldenbarnevelt, beraamden met een aantal medestanders een aanslag op prins Maurits. Die werd als hoofdschuldige gezien van de onthoofding. De gewezen remonstrantse predikant Hendrick Slatius zat ook in het complot. Wegens wangedrag was hij ontslagen bij de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Ook zijn volgende baan als predikant te Bleiswijk verliep niet ongestoord. Ditmaal werd hij uit zijn ambt gezet vanwege zijn remonstrantse overtuiging. Al snel zag hij Maurits als de veroorzaker van al zijn problemen. In woord en geschrift werd hij een van diens felste tegenstanders. De samenzweerders hadden een simpel plan bedacht. Zij hadden een aantal matrozen ingehuurd. Die zouden Maurits vermoorden wanneer hij op het gebruikelijke tijdstip te Rijswijk zou arriveren bij zijn minnares. Doordat een van de zeelieden Maurits over dit snode plan informeerde, mislukte het voornemen. De meeste samenzweerders waaronder Reinier van Oldenbarnevelt, werden opgepakt en terechtgesteld. Zijn broer Willem wist tijdig naar het buitenland te vluchten. Slatius slaagde er in naar Drenthe te ontkomen, verkleed 'in eene grove boeren py, en eenen slegten hangenden hoed [...] dien hy digt in de oogen trok'. Hij verraadde echter zichzelf door onhandig gedrag. In Rolde betrad hij een herberg, waar hij een pint bier bestelde. Toen hij de aanwezigheid van een aantal soldaten in de gelagkamer opmerkte, werd hij nerveus en vertrok haastig, zonder zijn bier op te drinken. De soldaten vonden dit een vreemde zaak, achtervolgden hem en namen hem mee. Kort daarna bleek zijn ware identiteit en volgde het doodvonnis. Op 5 mei 1623 werd Slatius naar het schavot op het Haagse 'Groene Zootje' naast de Gevangenpoort gebracht om te worden onthoofd. Op het moment dat de beul het zwaard liet neerkomen, wilde de ongelukkige zijn blinddoek beter bevestigen. Zodoende werd met zijn hoofd ook een hand afgehakt. Traditiegetrouw werd het lijk van de veroordeelde afgevoerd naar het galgenveld naast de molen aan de Trekvliet. Hier legden de beulsknechten het lichaam op het rad waarbij het afgehakte hoofd op een staak werd tentoongesteld. Wat hierna volgde, was nog gruwelijker.

Drie hoofden in een akker

Collectie Duijvestein, Slatius komt uijt het Graff en vaert op daer hy voer aff (afbeelding met tekst), Ets en boekdruk van Claes Jansz Visscher (1587-1652), 1623, 27 x 24 cm

Op 16 mei 1623 deed een Voorburgse boer, die zijn akker bij de Geestbrug ploegde, een vreselijke vondst. In de grond ontdekte hij een kist die hij ijlings open maakte, denkend een waardevolle schat te ontdekken. Tot zijn afgrijzen bevatte de kist echter drie afgehakte hoofden en andere lichaamsdelen in een vergaande staat van ontbinding. Verschrikt meldde hij de vondst bij de schout die vaststelde dat het ging om de stoffelijke resten van Slatius en twee andere veroordeelden. Vrienden hadden omstreeks 12 mei de stoffelijke resten heimelijk van het rad gehaald en bij de Geestbrug begraven. De gerechtsdienaren die ter bewaking bij de akker werden neergezet, sloegen slim munt uit de situatie. Tegen een kleine vergoeding mochten nieuwsgierigen op de akker komen kijken. Nadat ze voldoende geld hadden gevangen, sleepten de dienaren het 'krayen-aes' weer terug naar het galgenveld. Hier werd Slatius met enige moeite en met behulp van een plank weer aan het rad opgehangen. Ook de hoofden werden niet vergeten. Gemakshalve werden deze vervoerd in het hemd van Slatius, dat tijdens het slepen van het lichaam was afgegleden. Al deze afzichtelijke details werden minutieus als een stripverhaal door een tijdgenoot in diverse plaatjes uitgetekend. Het geheel werd vervolgens door Claes Jansz. Visscher als een pamflet uitgegeven onder de titel: 'Slatius komt uijt het graff'. Een tweede ontvoering van het lijk lukte overigens kort daarna wel. Het gerucht ging dat de weduwe bij deze tweede poging de resten van haar echtgenoot had laten begraven in een boomgaard te Warmond.


Bron

Historische wandelingen in Voorburg en omgeving : Vorstelijke dieren en andere prentkunst / Kees van der Leer ; met medewerking van Gerard Duijvestein. - Zwollen : Waanders, 2001