Elisabeth van Spijk

Uit Toen Leidschendam-Voorburg
Ga naar:navigatie, zoeken

Uit de beschikbare bronnen kan helaas geen persoonsbeschrijving van Elisabeth van Spijk worden opgemaakt. Was ze groot of klein, had ze donker haar of was ze blond? We weten het niet. Wel geven de bronnen iets prijs over haar woonomstandigheden: zij woont in 1738 met haar man Willem van Oorde aan de Hooigracht in Leiden in een ‘groot, hegt en weldoortimmert huis’ met behangen kamers, schilderijen voor de schoorsteen en behangsel in de eetzaal met spiegel. Als echtgenote en later weduwe van Gosewijn van Dijk woont zij vanaf 1755 in Veur op het molenerf in een fraai en vermakelijk huis aan de Vliet. En - afkomstig uit een koopmansfamilie - beschikt ook zij over een eigenschap die haar later goed van pas komt: haar zakelijke instelling. Dat zien we bij het behartigen van haar belangen bij haar toekomende gelden uit erfenissen, maar ook bij de verkoop van het houtbedrijf en de zaagmolens. Nadat haar man Gosewijn van Dijk in 1767 in Delft in het Verbeterhuis de Vergulde Cabel is opgenomen en zij gescheiden zijn van bed, tafel, woning en goederen staat Elisabeth staat er alleen voor en heeft – notarieel vastgelegd - de opdracht om het molenbedrijf te verkopen en daar bij hun belangen goed te behartigen.

Elisabeth is gedoopt in ’s-Gravenhage in de Grote Kerk op 22 april 1716 en is overleden na 1788. Zij is een dochter van de Haagse koopman Martinus Hendriks van Spijk (‘s-Gravenhage, 6 mei 1688 – Veur 17 oktober 1751). Hij is in 1714 in Delft getrouwd met Elisabeth Pingaert (Delft 2 april 1690 – Veur 1758). Uit hun huwelijk worden 4 zoons en drie dochters geboren. Zoon Jan is een bekend wijnkoper en koopman in Rotterdam, Paulus van Spijk een vermogend koopman en kunstverzamelaar in Leiden, eigenaar van bierbrouwerijen in Leiden en Haarlem en van onroerend goed in Haarlem, Leiden, Stompwijk en Koudekerk. Na zijn overlijden - de inventaris laat een rijke inboedel en groot vermogen zien - worden o.a. 23 kleine meesterwerken (van Dou, Terborch en Jan Steen), zilver en penningen geveild. Er zijn vele erfgenamen, waaronder Elisabeth van Spijk en Elisabeth Maria van Dijk (dochter van Gosewijn) uit Rotterdam; zij is in 1786 benoemd tot executeur van de boedel.

Huwelijk van Elisabeth van Spijk met zeepzieder Willem van Oorde

Op 9 februari 1734 is in de Nieuwe Kerk in ’s-Gravenhage het huwelijk van Elisabeth Martinusdr. van Spijk met Willem van Oorde ingezegend (Delft 1709 - overleden in Leiden op 1 augustus 1751). Hij woont in 1734 aan den Leydschendam. Zij verklaren bij testament op 5 augustus 1734 elkaar tot erfgenamen. Kinderen en kindskinderen moeten tot hun 25e jaar eerlijk gealimenteerd, onderhouden en opgevoed worden en hebben recht op de legitieme portie. Uit hun huwelijk worden 5 kinderen geboren, waaronder Hendrik, Eva Johanna en Martinus van Oorde.

Zeepzieder Willem Van Oorde

In 1738 wonen zij in Leiden in een groot, hegt en weldoortimmert huis en erf met behangen kamers aan de oostzijde van de Hooijgracht. Van Oorde richt op 21 maart 1744 met zeepsieder Bernard Schermer en met instemming van hun huisvrouwen Johanna Catharina del Court en Elisabeth van Spijk een Sociëteit of Compagnieschap van Zeepziederije en Negotie op aan de Hooijgracht in Leiden, beiden voor de helft eigenaar. Nadat het huis van Schermer is verkocht aan Van Oorde wordt de Compagnieschap opgericht. Van Oorde krijgt dan volkomen bewoning. Wanneer een compagnon is overleden moet de Zeepziederij door de nabestaanden worden voortgezet. De negotie wordt door beiden ondertekend; voor handelingen met wisselbrieven, assignaten, rekeningen en ontvangst van penningen is van Oorde verantwoordelijk. Tot een fonds en voortzetting van de Compagnieschap en negotie wordt door beiden ƒ 5000 ingebracht. Het totaal van ƒ 10.000 wordt beheerd door Van Oorde. Over de inventaris (speciën, ingrediënten, leeg vaatwerk) worden afspraken gemaakt. Contractbreuk of bij overlijden en/of nadeel of schaden betekent een boete van ƒ 4000, te betalen aan degene die het contract het slechtst (‘inviolabel’) is nagekomen. Van Oorde heeft de meeste bevoegdheden over de zeepziederij, behangsel en losse gereedschappen. Schermer mag altijd de zeepziederij bezoeken. Onkosten en verlies zijn voor beiden. Uit de winst ontvangen beiden ¼ deel; het ¼ deel van Van Oorde is voor aflossing van een schuld aan Simon Musquetier. Over de andere helft mag vrijelijk worden beschikt door Van Oorde. Uit de cassa van inkomen worden o.a. het salaris van de boekhouder en de onkosten betaald, evenals de verponding en onkosten die tot het welzijn en bewoning van de zeepziederij dienen. Zo ook het ´tracteren der calanten´ en het geven van sterke drank, wijn en bier volgens dagelijks gebruik. Schermer is verplicht na overlijden van Van Oorde zijn huisvrouw of erfgenamen ‘te informeren en te leren de kunst om de zeep te koken’, boeken over het prepareren, stoken en koken moet hij dan afstaan. Zulks ook aan Frederik en Thomas Schartazi, uit het eerste huwelijk van zijn vrouw. Deze kinderen hebben aanspraak op een bedrag van ƒ 6000 van het vaderlijk erfdeel, geleend bij Musquetier. Die schuld wordt overgenomen en afgelost door van Oorde. Bij ziekte of podagra mag Schermer, wanneer er gestookt wordt, in een (warme) bedstede en ledikant in het huis van Van Oorde liggen. Zijn vrouw mag hem dan bezoeken en verzorgen. De Compagnie wordt met wederzijds genoegen beëindigd in 1746. De boete van ƒ 4000 behoeft niet te worden betaald. Bij het opmaken van de winst en verliezen hebben zij gezien dat er sprake is van mindere tijden, de negotie heeft helemaal niet aan hun verwachtingen voldaan. De zeepziederij is aan van Oorde verkocht voor ƒ 9.500, bestaande uit de afbetaling van ƒ 6000 met rente voor het vaderlijk erfdeel van Schermer voor zijn kinderen, een bedrag van ƒ 3.500 en ƒ 2.392 voor de inventaris.

Elisabeth van Spijk, is op 3 augustus 1750 met Willem van Oorde bij de notaris. Zij heeft ‘gesien en geexamineert’ de testamentaire dispositie van haar ouders van 29 april 1750. Uit hoofde van hun kinderlijke plicht en gehoorzaamheid accepteren zij na rijpe deliberatie uit dit testament - in plaats van de legitieme portie van ƒ 2000 – tot volkomen genoegen een zesde part in alle klederen van zijde, wol en linnen, gemaakt als ongemaakt en juwelen, goud- en zilverwerk van haar overleden moeder.

Zeepzieder van Oorde is op 8 februari 1751 in Leiden bij de notaris. Machtigt – ‘vermits zijn geduurige indispositie’ - zijn vrouw Elisabeth om uit zijn naam alle erfenissen, van wie dan ook, te aanvaarden. Zij moet de boedel en inventaris (doen) opmaken. Met erfgenamen moet zij overleggen, klederen, meubilair en inboedel mag zij verkopen. Obligaties en effecten moeten worden ingewisseld, vaste goederen verkocht. Debiteuren mag zij afwikkelen, lijfrenten moeten afgelost worden. Alles naar goeddunken van zijn huisvrouw; hij accepteert wat zij zal verrichten.

Weduwe Elisabeth van Spijk

Op 1 augustus 1751 overlijdt Willem van Oorde. 18 augustus 1751 machtigt weduwe van Spijk haar boekhouder Edmundus Obreijn haar uitstaande vorderingen te innen en daarvoor alle maatregelen te nemen. Op 21 augustus 1751 wijst zij haar vader en haar zwager Pieter van Buijtene aan als voogden over haar minderjarige kinderen ingeval zij komt te overlijden. Bij overlijden van een van beiden is haar broer Jan van Spijk voogd. Op 6 maart 1752 verkoopt zij in Leiden uit haar bezit een huis, erf en zeepziederij aan de oostzijde van de Hooijgracht voor ƒ 6000. Ook 5 gebruikte en bewoonde huizen op en rond de Hooijgracht worden voor ƒ 7500 verkocht aan Joan de Jong uit Amsterdam.

Elisabeth, nu wonend ‘aan den Leijdschendam onder de banne van Stompwijk’, benoemt 22 december 1754 notaris Ariaan van Kerkhoven en procureur Cornelis van der Kop tot voogden over haar kinderen Hendrik, Martinus en Eva Johanna. Present is ook Gosewijn van Dijk. Zijn haar kinderen 25 jaar of ‘in huwelijksche staate’, dan krijgen zij naast de vaderlijke legitieme portie ieder ƒ 9000. Dit is gebaseerd op rijpe examinatie van de boedel en inventaris van het bezit van Willem van Oorde.

Huwelijk van Elisabeth met houtkoper Gosewijn van Dijk

Elisabeth hertrouwt in 1755 met houtkoper Gosewijn van Dijk, weduwnaar van Jannetje van den Berg. Uit hun huwelijk worden 3 kinderen geboren: Elisabeth Maria, Jacobus Antonius en Antonius Jacobus. Het gezin woont dan weer in Veur op het molenerf. Van Dijk verkoopt in het heerenlogement aan den Burgh in Leiden op 29 december 1755 voor ƒ 2600 een groot, ruim, hegt, sterk en weldoortimmerd huijs en erve met behangen kamers en vertrekken aan de oostzijde van de Hooijgracht bij de Groenesteegh. Verkoop geschiedt met uitzondering van de behangen in de zijkamer en in de alkoven, schilderijen voor de schoorsteen, behangsel in de eetzaal met spiegel. De notaris ontvangt vier gouwe ducaten, de armen in Leiden een ducaat. Op 8 mei 1756 is in Leiden een huis aan het Gansoorde, ook van Elisabeth, verkocht aan de ´bejaarde ongehuwde persoon´ Jonkvrouw Lidia Meerman. Gosewijn van Dijk en Elisabeth van Spijk, wonende aan den Leijdschendam, verklaren op 27 december 1756 bij de notaris dat zij samen, gehuwd zijnde, schulden hebben en voor elkaar borg staan maar dat zij – een vrouw en speciaal een getrouwde vrouw - daarop niet mag worden aangesproken. Bij Jan van den Boogaard hebben zij een schuld van 5000 caroly guldens, gebaseerd op eerdere obligaties van Van den Boogaard. Als pand stellen zij een obligatie van ƒ 2000 ten laste van de Generaliteit, een obligatie bij de Provincie Groningen van ƒ 2000 en ten laste van Holland en West Friesland een obligatie van ƒ 1600. Deze dateren uit 1732 en 1734 en zijn door Elisabeth verkregen bij de verdeling van de boedel van haar schoonvader Hendrik van Oorde en nu afkomstig uit de boedel van haar man Willem van Oorde. Zij beloven dit na een jaar te betalen, in goede Hollandse zilveren specie of in gouden rijders en staan daarvoor in persoon en goederen garant. In ´cas van delay´ mag van den Boogaard deze verkopen.

Rond 1765 is Gosewijn vermoedelijk niet meer volledig in staat tot handelen; op 20 mei 1765 heeft Elisabeth van Spijk toestemming van haar man gekregen om dan zelfstandig een verklaring over een afgesloten lening af te leggen. Dat is vastgelegd bij notaris van Kerkhoven in Leidschendam. Zij verklaart nu in naam van haar man en voor haar zelf een bedrag van ƒ 2000 schuldig te zijn aan Arend van Leeuwen, notaris in ’s-Gravenhage. Onderpand zijn de twee zaagmolens, huizen en schuren, het erf waarop het geheel staat en een partij land. Ook de losse en vaste gereedschappen worden in onderpand gegeven. Zij verklaart tevens dat beiden ook persoonlijk garant staan voor de helft van al hun overige roerende en onroerende bezittingen.

Gosewijn en Elisabeth gesepareerd van Bedt, Tafel, bij wooning en goederen

Gosewinus van Dijk is 4 februari 1767 zonder bepaling van tijd is opgenomen in het Verbeterhuis de Vergulde Cabel in Delft. Daar worden mannen – merendeels uit de meer draagkrachtige families - opgenomen die ‘aan verzwakte geestvermogens lijdende’ zijn. Elisabeth en Gosewijn hebben vanwege zijn opname in het Verbeterhuis bij het Hof van Holland op 27 februari 1767 een verbaal accoord gesloten. De rechterlijke uitspraak dateert van 10 februari 1768. Zij zijn dan gescheiden van bed, tafel, woning en goederen.

De uitwerking daarvan heeft in aanwezigheid van hun advocaten op 16 maart 1768 plaats. Elisabeth krijgt daarbij alle roerende en onroerende goederen om daarmee te handelen; voor haar rekening en verantwoordelijkheid zijn ook alle gezamenlijke schulden en lasten. Ook neemt zij de opvoeding van haar kinderen voor haar rekening. Om aan Gosewijn een uitkering te kunnen betalen is zij verplicht het huis, houtzaagmolens en de houtwaren uit de boedel zo spoedig mogelijk te verkopen en schulden en lasten te vereffenen. Gosewijn krijgt alvast jaarlijks ƒ 200, in 4 parten van ƒ 50; uit de opbrengsten van de verkoop moet zij voor Gosewijn obligaties kopen.

1 november 1768: Verkoop van de helft van de houtzaagmolens

Elisabeth van Spijk, moet nu hun bezittingen verkopen. In de Amsterdamse Courant van 10 en 12 mei 1768 verschijnen advertenties: twee hegte, sterke en zeer favorabel geleegene houtzaagmolens, 2 stukken weyland en fraaie en vermakelijke huizinge worden op 10 mei geveild en op 17 mei gegund en verkocht. Procureur van der Kop en notaris de Bruijn houden daarvoor zitting in de Castelenye in ‘s-Gravenhage.

Twee dagen later, op 14 mei 1768, verschijnt in de Haerlemse Courant opnieuw een advertentie met dezelfde inhoud; de gunning vindt plaats op 17 mei des avonds 8 uur. Ten slotte wordt een advertentie geplaatst in de Leydse Courant van 16 mei 1768:

Op 1 november 1768 laat Elisabeth van Spijk bij de notaris het contract van koop van de helft van twee zaagmolens aan de Noordzijde van den Leijdschendam vastleggen. In volle eigendom heeft Arnoldus Theodorus Zoodaar, meester-timmerman en schrijnwerker, de helft gekocht voor ƒ 10.000. Ook twee stukken land en alles wat nagelvast bij de molens behoort, worden zijn eigendom, met uitzondering van de gereedschappen. De molens zijn belast met twee schepenschuld- of hypotheekbrieven, de eerste van ƒ 6000 is door Goosen van Dijk op 25 oktober 1738 gepasseerd bij Jan Tack in Leiden, de tweede is een schuld van ƒ 2000 bij de Hervormde Kerk in Voorschoten. De bij de eerdere koop en verkoop behorende akten liggen in twee kisten in het woonhuis van Elisabeth, beiden krijgen een differente sleutel. Zoodaar neemt de helft van deze schuld, ƒ 4000, over; binnen veertien dagen betaalt hij ook ƒ 6000 in goud en zilver geld. Bij overlijden van Elisabeth is afgesproken dat haar zoon Martinus van Oorde het recht heeft haar helft van de molens te behouden. Bij overlijden van Zoodaar kan het gehele bedrijf weer overgedragen worden aan Elisabeth.

Schuld bij Jan Balthasar Strick van Linschoten

Gosewijn van Dijk en zijn vrouw hebben in 1766 ƒ 4500 geleend bij de Wel Ed. geb. Heere Jan Balthazar Strick van Linschoten, Heere van Nieuw Hellevoet en de Quak en kanunnik bij het kapittel van St. Pieter in Utrecht. Vermoedelijk wil Strick van Linschoten, nu van Dijk en zijn vrouw in 1767 gescheiden zijn, het geleende geld terug zien. Hij machtigt in Utrecht op 4 juni 1768 Adrianus de Bas, procureur in Delft en van Veur. Hij moet met Melchior Bos, secretaris van Voorburg en Godart Havick uit Stompwijk, gepensioneerd vaandrig ten dienste der Vereenigde Nederlanden, voor het gerecht van Veur als eisers een proces voeren tegen Elisabeth van Spijk, wonende in de Heerlijkheid van Veur. Van Van Strick van Linschoten heeft zij ook nog ƒ 500 in ontvangst genomen. Elisabeth betaalt van de totale schuld van ƒ 5000 jaarlijks ƒ 500 terug. Blijft zij in gebreke dan is de nog in haar bezit zijnde andere helft van de zaagmolens het onderpand. In 1781 is het gehele bedrag afbetaald.

28 april 1770: de wederhelft van de zaagmolens verkocht

Elisabeth van Spijk verkoopt in 1770 de wederhelft van de twee houtzaagmolens, erf, huizen, schuren en land aan A.T. Zoodaar, al eerder eigenaar geworden van de geregte helft. Op de molens rusten nog steeds de eerder genoemde schulden van Gosewijn van Dijk. Zoodaar neemt de uitstaande schuldbrieven ter grootte van ƒ 9000 over en betaalt aan Elisabeth daarnaast ƒ 3000 contant. Opvallend is dat bij de overdracht ook aanwezig is Eva van Oorde, de ongehuwde dochter van Elisabeth. Zij ontvangt uit handen van haar moeder de legitieme vaderlijke portie van ƒ 3000 en verklaart van alle verdere aanspraken op zijn nalatenschap af te zien.

Martinus van Oorde in Kaap de Goede Hoop

Om onbekende redenen is haar zoon Martinus vertrokken uit Veur. Mogelijk dat hij na de verkoop van de molens door zijn moeder geen werk meer had. Van Texel is hij op 20 oktober 1772 voor de Weledele Grootachtbare Bewindhebbers der geoctrooieerde Oost Indische Compagnie ter Kamer Amsterdam met het schip Aschat vertrokken naar Indië, reizende als commandeur. De Aschat is op 15 april 1773 in Kaap de Goede Hoop aangekomen, van Oorde blijft er om onduidelijke redenen achter met stilstand van gage. Is daar secretaris van de Broederschap der Groote Nationale Loge der Vrije en Aangenomen Vrij Metselaren in de Republiek der Vereenigde Nederlanden. Voor de opbouw van het nieuwe Hospitaal is sergeant Martinus door de heer Gezaghebber aangesteld tot opzichter. Hij ontvangt daarvoor een douceur van tien rijksdaalders per maand. Martinus is getrouwd in Kaap de Goede Hoop met Abigael Ferleman. Zij is uit Delft naar Kaap de Goede Hoop gegaan en bij de Hervormde Kerk ingeschreven daar op 28 september 1773.

Martinus is overleden in Cabo de Goede Hoop in 1779. Op 3 april 1780 is Elisabeth van Spijk in Breda bij openbaar notaris Jean François Mirandolle. Zij is erfgename in de legitieme portie van Martinus van Oorde. Zij machtigt Hendrik Schroder om haar aanspraken in de boedel van Martinus waar te nemen en – nadat deze van alle debatten zijn gezuiverd en door haar aanbehuwde dochter Abigael Ferleman met de gewone boedeleed is bekrachtigd – te procederen met haar dochter tot schriftelijk scheiding en deling van de legitieme portie. Mocht dat niet in der minne kunnen dan mag Schroder alle rechtsmiddelen inzetten.

Op 30 november 1782 maakt notaris C. van Hees in Utrecht een procuratie op. De heer Jan Balthazar Strick van Linschoten geeft op de krachtigste wijze opdracht aan Johannes Serrurier in Kaap de Goede Hoop. Uit naam van Strick en Melchior Bos, secretaris van Voorburg, die destijds een akte heeft opgesteld voor Martinus van Oorde, moet van de erven van de overleden Martinus van Oorde uit zijn boedel en nalatenschap met alle middelen de vordering van Strick van ƒ 3000 met 3 gulden rente per jaar opgeëist worden. De penningen, effecten en goederen berusten nu bij de heren Butger en Blankberg in Kaap de Goede Hoop.

Elisabeth machtigt in Leiden op 8 juni 1785 op de krachtigste wijze haar broer Jan van Spijk haar belangen te behartigen bij de redding van de boedel en nalatenschap van haar zoon Martinus. Haar zoon is kinderloos overleden, zijn vrouw is de erfgename, zijn moeder is volgens de in Kaap de Goede Hoop opgestelde akte erfgename in de legitieme portie. Vooral verzoekt zij te corresponderen met de heren Bottinger, Blankenberg, Jan Coenraad de Gie en Abraham Chiron aldaar. Alles moet gedaan worden om haar aandeel in de boedel te ontvangen. Abigael is in 1780 in Kaap de Goede Hoop hertrouwd met Georg Wilhelm Litvius van Brunswijk.

Weduwe van Dijk moet voor schout en schepenen van Leiden komen. Zij draagt op 19 juni 1786 notaris L’Ange Joszue op haar te vertegenwoordigen inzake de vorderingen die zij heeft op Albert Sukkel, beurtschipper van Arnhem op ’s-Gravenhage en vice versa.

Voor het afwikkelen van de erfenis van haar broer Paulus van Spijk en zijn overleden vrouw Anna Louisa van der Meulen is Elisabeth op 30 december 1786 met haar zoon Hendrik van Oorde bij de Leidse notaris. Erfgenamen zijn voor een deel de kinderen van Elisabeth: Hendrik van Oorde, zijn zuster van halven bedde Elisabeth Maria van Dijk en Eva Johanna van Oorde. Eva Johanna wordt gemachtigd om de boedel van Paulus van Spijk en Anna Louisa op orde te brengen, tot finale scheiding te brengen en de belangen van de erfgenamen in alles te behartigen.