Forum Hadriani

Uit Toen Leidschendam-Voorburg
Ga naar:navigatie, zoeken

Forum Hadriani

Collectie Duijvestein, Peutingerkaart, Gravure, uit: Korte Besgryving van het Lugdunum Batavorum nu Leyden,door Mr. Simon van Leeuwen, uitgave van Johannes van Gelder, 1672, 7x 13,5cm
Zoals de naam Forum al aangeeft, was het vooral een marktplaats. In 121 na Christus werd deze belangrijke plaats bezocht door keizer Hadrianus die de nederzetting marktrechten en zijn naam schonk. Later werd Forum Foreburg en zo heeft Voorburg aan deze marktplaats uiteindelijk ook haar naam te dankten en de eer, als een van de weinige Hollandse plekjes, vermeld te staan op de oudste kaart van Europa, de Peutingerkaart.

Forum Hadriani is op deze kaart als 'Foro Adriani' goed te herkennen. Links daarvan ligt Lugduno, vermoedelijk het nu bij Katwijk in zee verdewenen Brittenburg. Daarboven is Pretorium Agrippina getekend, waarmee vermoedelijk het huidge Valkenburg bij Leiden wordt bedoeld. Albamanis, oftewel Albamania, zou het hedendaagse Alphen aan de Rijn zijn.

Collectie Duijvestein, Peutingerkaart,Ets/Gravure, uit: De aloude Staat en Geschiedenissen der Verenigde Nederlanden, door E.M. Engelberts, eerste deel Uitgave te Amsterdam door Johannes Allart, 1784, 19,5 x 42,5 cm
Doordat de Peutingerkaart op vele manieren kon worden geïnterpreteerd, hebben historici eeuwenlang gediscussieerd over de vraag of de Romeinse stad bij Voorburg nu Forum Hadriani was of wellicht toch Pretorium Agrippina. Pas in 1997 kwam aan deze discussie een definitief einde, dankzij de toevallige vondst van vier Romeinse mijlpalen bij Wateringen. Die waren daar in 151 na Christus neergezet en werden na bijna negentien eeuwen op dezelfde plek teruggevonden. Uit de reisafstand die op een van
Collectie Duijvestein, Peutingerkaart Gravure, uit: Comment Reum Ger. Pagina 142, 5 x 19 cm
palen stond aangegeven, kon duidelijk worden afgeleid dat bij Voorburg het 'Municipium Aelicum Cananefatum' lag, de hoofdstad der Cananefaten, zoals de oude marktplaats Forum Hadriani inmiddels werd genoemd. Toen Forum Hadriani omstreeks 270 door de Romeinen werd verlaten, raakte de nederzetting volledig in verval. De houten huizen vergingen al snel en de afbrokkelende muren werden een gemakkelijke prooi voor de bewoners uit de omgeving, die het tufsteen en kalksteen goed konden gebruiken voor de bouw van hun eigen boerderijen en huizen. Ook in de Oude kerk van Voorburg en Rijswijk zitten ongetwijfeld stenen die afkomstig zijn uit het oude heidense Forum Hadriani. Maar die naam was in de tijd dat deze kerken werden gebouwd allang in de vergetelheid geraakt, evenals de vroegere aanwezigheid van de Romeinen. Alleen de hoge afgebrokkelde muurresten stonden daar nog eeuwenlang, als duidelijke maar zwijgende getuigen van een raadselachtig verleden. De middeleeuwse toeschouwers bedachten al gauw dat dit de overblijfselen moesten zijn van een reusachtige burcht uit de verre oudheid, waar een machtige koning en misschien zelfs wel een reus had gewoond. De grond waar die torenhoge ruïnes stonden, noemde men dan ook al snel 'De Hogeburch'. Op die Hogeburch werden in de loop der tijd gouden munten gevonden met de afbeelding van Romeinse keizers en 'heidense goden'. Dit prikkelde de fantasie nog meer. Zo ontstond een van de oudste Hollandse sagen, de sage van koning Ezelsoor.
Collectie Duijvestein, Peutingerkaart, Lithografie, uit: Recherches sur l'ancien Forum Hadriani et ses Vestiges, pres de la Haye, en Hollande, par W.H.J. Baron de Westreenen de Tielandt, Amsterdam/LaHaye, 1826, 11,8 x 14,2 cm

Geleidelijk aan verdwenen de meeste nog zichtbare muurresten van het oude Forum Hadriani en de burcht van Aurindulius uit het landschap langs de Vliet. Ze werden gereduceerd tot hun stenen fundamenten die diep in de Voorburgse aarde bewaard bleven, naast de vele oude voorwerpen die ijverige gravers nog niet hadden ontdekt. Over al die resten heen werden in de 17e eeuw op de Hogeburch twee grote hofsteden aangelegd, de latere buitenplaatsen Hoekenburg en Arentsburgh. Hoekenburg kwam, zoals de naam al aangeeft, te liggen op het hoekperceel van de Hogeburch, in de zuidwestelijke hoek die de Vliet naar Leiden maakt met de Trekvliet naar Den Haag. Aan de oostkant van Hoekenburg lagen de percelen van Arentsburgh, waarvan het huis, evenals dat van Hoekenburg, dicht langs de Vliet werd gebouwd.

De aanwezigheid van de twee buitenplaatsen op de Hogeburch bracht de Romeinse en andere resten in de Voorburgse aarde echter geen rust en vergetelheid. Om van een buitenplaats een echte 'lustplaats' te maken moesten veel bomen en siergewassen worden geplant, vijvers worden gegraven, koepels worden gebouwd en andere 'bekoorlijkheden' worden aangebracht. Daarbij kwamen regelmatig stukjes Romeins verleden naar boven, veel munten uiteraard, maar ook grotere zeldzaamheden. Ze werden allemaal beschreven door Hendrik van Wyn die in 1800 een boekwerkje uitgaf getiteld 'Historische en Letterkundige Avondstonden'. Zo noemde hij een grote vondst 'Romeinsch-Keizerlyke penningen', bijna een wateremmer vol, die omstreeks 1626 bij het opgraven van stenen fundamenten werden ontdekt. In 1760 werd aan de oostkant van Arentsburgh een Romeinse lamp gevonden. Tien jaar later werd 'op dezelfde Lustplaats, onder een zwaaren Lindeboom' een urn aangetroffen. Deze werd echter ter plekke door de werklieden kapot geslagen, omdat ze dachten dat er goud in zat.

Een reusachtige hand uit de diepte

Collectie Duijvestein, Afbeelding van eene metaalen Hand en verdere Romeinsche Oudheden, gevonden op de Lustplaats ARENDSBURG, Ets/Gravure, getekend door Albertus Frese de Jonge (Den Haag, 30-3-1714/Den Haag, 3-2-1788)
De meest spectaculaire vondst geschiedde echter in 1771 toen er een grote metalen hand werd opgegraven. In dit jaar waren werklieden bezig om de boomaanplant op Arentsburgh te verbeteren. Om een zwaar stuk stenen muur uit de grond te kunnen tillen, moesten zij dieper graven dan gebruikelijk. Op acht voet diepte ontdekten zij 'eene Hand van metaal, van meer dan gewoone grootte', die zij ijlings omhoog haalden. Omdat de eigenaar van Arentsburgh, de landsdrukker Isaac Scheltus, op reis was, probeerden de werklieden de bijzondere vondst clandestien te verkopen. De tijdige terugkeer van genoemde eigenaar voorkwam dit echter. Eeuwen eerder was hier ook al eens een ander lichaamsdeel opgegraven, een bronzen voet. De geschiedschrijver Heda meldde dit in zijn 15e-eeuwse kroniek met de zinsnede 'dat hy, onder de overblijfselen van den Burg aan den Vliet, een koperen voet van een gebrooken standbeeld gezien hadt'. Onduidelijk is of de hand en de voet afkomstig zijn van hetzelfde, ongetwijfeld reusachtige, beeld. Kort na de vondst kreeg de even bekende als bemoeizuchtige filosoof Francois Hemsterhuis lucht van de kolossale hand. Die vertelde het weer door aan een van zijn kennissen, de graaf De Gallitzin. Deze graaf vertegenwoordigde in Nederland de Russische vorstin, die in die tijd juist het plan had opgevat om een standbeeld te laten maken van czaar Peter de Grote. Hemsterhuis vond dat de zojuist gevonden hand uitstekend als voorbeeld zou kunnen dienen voor dit belangrijke beeld. Hij slaagde erin Scheltus over te halen de vondst naar Petersburg te sturen, onder de plechtige belofte van teruggave. Inderdaad keerde de hand uit Rusland terug, maar met aanzienlijke schade. De tamelijk gehavende, maar nog steeds indrukwekkende hand werd door Hendrik van Wyn afgebeeld in zijn Avondstonden, tezamen met de andere vondsten uit 1771: 'een vergulde eikel, een gouden ring en een watersafier'. In deze witte saffier met violette weerschijn was, volgens Van Wyn, een steenbok uitgesneden met een 'breidel (toom)in de bek die aan een drietand was vastgeknoopt.

Na het overlijden van Isaac Scheltus kwam de metalen hand en de buitenplaats Arentsburgh terecht bij zijn dochter Jacoba Maria Scheltus, die gehuwd was met mr. Willem Carel Vosmaer, directeur van een boekdrukkerij. Hun erfgenamen verkochten in februari 1826 Arentsburgh aan het Koninkrijk der Nederlanden. Deze onderkende het belang van wetenschappelijk onderzoek naar de in onze bodem verborgen sporen uit het verleden.

Collectie Duijvestein C.J.C. Reuvens, Lithografie van L. Springer (Leiden, 3-3-1789/Leiden, 29-10-1871), 22 x 16 cm (met handtekening)
Collectie Duijvestein C.J.C. Reuvens, Lithografie, uitvoering van Tiemen Hooiberg, 1809-1897, op dun blauw papier; waarschijnlijk is dit een soort proefdruk, 12 x 14 cm

Een kinderarm van gebakken aarde

Dit belang was al eerder onderstreept toen in 1818 Caspar Jacob Christiaan Reuvens werd benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de archeologie te Leiden. Hij was daarmee de eerste in de wereld. Reuvens werd verzocht op het grondgebied van Arentsburgh opgravingen te verrichten. Om zo geconcentreerd mogelijk te kunnen werken, mocht hij met zijn gezin gedurende het onderzoek wonen op de buitenplaats. Dus nam Reuvens in 1827 met vrouw en kinderen zijn intrek op Arentsburgh. Met voortvarendheid en toewijding ging de spa de grond in, vooral aan de noordkant. Het zuidelijke gedeelte bij de Vliet en het huis werd slechts oppervlakkig onderzocht, mede omdat hier de bloementuin en de moestuin lagen. De bevindingen werden nauwgezet opgeschreven en uitgetekend. Zo vond Reuvens op de noordelijke helft van de buitenplaats de fundamenten van een groot gebouw rondom een hof, dat overeenkomsten vertoonde 'met de landhuizen van Romeinse opperhoofden of aanzienlijke lieden'. Er waren badruimtes, verwarmingsmogelijkheden en rode stucschilderingen. Veel fragmenten wezen op een vroegere zuilengalerij. Verder meende Reuvens in een bepaald gebouwencomplex een rijtje 'winkelhuizen' te herkennen, een soort Romeinse koophal. In de buurt waar eertijds de metalen hand was gevonden, werd een put aangetroffen en 'een onderstuk van een kolossalen arm van marmer' en 'een geheele kinderarm van gebakken aarde'. Tussen de bouwresten van een vertrek werd tenslotte een 'geraamte van eene vrouw met kleedergespen en een armring' gevonden. Reuvens heeft enkele van zijn bevindingen in 1929 vastgelegd in zijn 'Korte beschrijving en plan der Romeinsche bouwvallen gevonden bij de opdelvingen ter waarschijnlijke plaatse van het Forum Hadriani op de hofstede Arentsburg'. Duidelijke conclusies kon hij hierin nog niet trekken, daarvoor zou veel meer onderzoek nodig zijn: 'Den omtrek te kennen van den geheelen Romeinschen aanleg is insgelijks volstrekt noodig om met eenige zekerheid deszelfs bestemming te kennen, hetzij als Romeinsche vaste legerplaats, hetzij als Romeinsche binnenstad, hetzij als oude Batavenstad door de Romeinen later opgesierd'. Van dit verdere onderzoek door Reuvens is niet veel gekomen. De overheidsfinanciën ontwikkelden zich verre van rooskleurig. In april 1834 verkocht het Rijk Arentsburgh aan jonkheer mr. Hendrik Johan Caan, die eerder, in 1811 ook al eigenaar was geworden van het naburige Hoekenburg. Reuvens overleed korte tijd later in juli 1835. De opgravingen op Arentsburgh werden van 1910 tot 1915 voortgezet door Dr. J.H. Holwerda, de directeur van het Leids Museum voor Oudheden. Deze trok uit zijn opgravingen de, verkeerde, conclusies, dat bij Voorburg een Romeins militair vlootstation heeft gelegen, dat op de Peutingerkaart vermoedelijk staat aangeduid als Praetorium Aggripinae. Latere onderzoekers en vondsten hebben overtuigend aangetoond dat de fundamenten aan de Vliet bij Voorurg wel degelijk de overblijfselen zijn van het Forum Hadriani, en dat deze nederzetting een belangrijke marktplaats in de Romeinse tijd was.
Collectie Duijvestein Plattegrond opgravingen Reuvens, Lithografie, 23 x 30 cm, uit: Korte Beschrijving en plan der Romeinsche Bouwvallen gevonden ter waarschijnlijke plaatse van het FORUM HADRIANI, op de hofstede Arentsburg, bij 's Gravenhage Prof. C.J.Reuvens, 1829

Bron

Historische wandelingen in Voorburg en omgeving : Vorstelijke dieren en andere prentkunst / Kees van der Leer ; met medewerking van Gerard Duijvestein. - Zwollen : Waanders, 2001