Gosewijn van Dijk en Elisabeth van Spijk, gesepareerd van Bedt, Tafel, bij Wooning en Goederen

Uit Toen Leidschendam-Voorburg
Ga naar:navigatie, zoeken

Gosewijn van Dijk (ook vermeld als Gosewinus, Goosewijn, Gooswijn, Goosen, Goossen), is vanaf 1735 eigenaar van de houtkoperij en van de houtzaagmolen De Salamander. In 1739 krijgt hij toestemming om een tweede houtzaagmolen te bouwen, De Hoop. Na het overlijden van zijn vrouw Jannetje van den Bergh hertrouwt hij in 1755 met weduwe Elisabath van Spijk, eerder gehuwd met de Leidse zeepzieder Willem van Oorde. Hun huwelijk wordt zo’n 10 jaar later overschaduwd door de achteruitgaande geestelijke gezondheid van Gosewijn. In mei 1765 is Gosewijn, koopman in houtwaren, vermoedelijk al niet meer in staat tot handelen; bij de notaris is dan vastgelegd dat Elisabeth toestemming van haar man krijgt om voor de houtkoperij zelfstandig een verklaring over een afgesloten lening af te leggen. In die tijd bijzonder, vrouwen hadden in die tijd nog weinig zakelijke bevoegdheden. Al eerder, in 1756, hebben zij bij de notaris vast laten leggen dat zij ieder apart schulden hebben uit hun vorige huwelijk; Elisabeth heeft mogelijk ook nog aanspraak op inkomsten uit haar vorige huwelijk met Willem van Oorde. Zij stelt daarmee haar belangen veilig. Bovendien is zij nog voogdes over de kinderen uit haar eerste huwelijk: op haar rust de verplichting die op te voeden tot het bereiken van de 25-jarige leeftijd.

Vergulde Cabel

In het Rechterlijk Archief van Veur is in 1769 een extract opgenomen van een overeenkomst tussen Gosewijn van Dijk en Elisabeth van Spijk. Daaruit blijkt dat zij gescheiden zijn van ‘Bedt, Tafel, bij wooning en goederen’. Aanleiding voor deze scheiding van tafel en bed is het gegeven dat Gosewinus van Dijk bij akte van de Hove van Holland van 4 februari 1767 zonder bepaling van tijd op 5 februari 1767 in Delft is ‘geconfineerd’ (opgenomen) in het Verbeeterhuijs de Vergulde Cabel. Dat is vermeld in het Delftse Register van Geconfineerden. In dit verbeterhuis, gelegen aan de Oostpoort, worden mannen, merendeels uit de meer draagkrachtige families uit Delft en omgeving opgenomen die ‘aan verzwakte geestvermogens lijdende’ zijn (krankzinnigheid, slecht gedrag of tot wanneer iemand weer over zich zelf kan ‘gouverneren’). Daarbij wordt ook de duur van de opsluiting aangegeven: zonder bepaling van tijd, voor de duur van drie jaren of tot tijd van beterschap.

Elisabeth als Requirante (eiseres) en Gosewijn als Gerequireerde (gedaagde) hebben vanwege zijn opname in het Verbeterhuis ten overstaan van commissarissen van het Hof van Holland in ’s-Gravenhage op 27 februari 1767 een verbaal accoord gesloten. De rechterlijke uitspraak dateert van 10 februari 1768 en de verdere uitwerking daarvan vindt in aanwezigheid van hun advocaten plaats op 16 maart 1768. Elisabeth krijgt daarbij het eigendom over de molens en het molenbedrijf in handen: met alle contanten, roerende en onroerende goederen mag zij daarmee uit vrije wil handelen; voor haar rekening en verantwoordelijkheid zijn ook alle gezamenlijke schulden en lasten. Ook neemt zij de opvoeding van haar kinderen uit haar huwelijk met Gosewijn voor haar rekening. Om aan Gosewijn een uitkering te kunnen betalen is zij verplicht het huis, houtzaagmolens en de houtwaren uit de boedel zo spoedig mogelijk te verkopen, te gelde te maken en schulden en lasten te vereffenen. Van haar wordt ook verlangd dat zij daarover verantwoording aflegt. Gosewijn krijgt alvast jaarlijks ƒ 200, in 4 parten van ƒ 50; uit de opbrengsten van de verkoop moet zij voor Gosewijn obligaties kopen. Op 16 februari 1769 is Elisabeth voor Adrianus Boers, Bailliuw en Schout Jan Vrolijk en Johannes van Buuren, schepenen der Vrije Heerlijkheijd van Veur gekomen en verschenen om de verkoop van de helft van het molenbedrijf aan Arnoldus Zoodaar te laten vastleggen. Juffrouw Elisabeth van Spijk wordt dan vermeld als ”eerder weduwe en nu laatst weduwe van de Heere Goosewijn van Dijk’’.