Hofwijck

Uit Toen Leidschendam-Voorburg
Ga naar:navigatie, zoeken

Hofwijck

Collectie DuijvesteinHofwyck, Lijncliché van P.P. Schiedges 1897, 10 x 14,5 cm
Collectie Duijvestein HOFWIJK BIJ S'HAGE, Lithografie op chine colle van C.C.A. Last
Collectie Duijvestein Het huis van Constantijn Huygens 1842, 9 x 14 cm
Collectie Duijvestein HOFWIJCK, 1836, 10 x 15,5 cm
Collectie Duijvestein, VITAULIUM HOFWYCK, Ets, voor de eerste maal in 1653 (Vitaulium Hofwyck) gepubliceerd, Uit: Korenbloemen van Constantijn Huygens, 1658 en 1672, 30 x 39 c


Welriekend water uit eigen tuin

Volledig door vijverwater omgeven ligt het beroemde buitenhuis Hofwijck van Constantijn Huygens als een fles in een verkoelend vat. Dit laatste was vooral in de zomermaanden prettig. Als de vorst wou doorzetten, kon er weer geschaatst worden op de Vliet en op de Hofwijckvijver. De kinderen van Constantijn waren dan maar wat blij, dat vader een vijver rondom het huis had verkozen boven een grasveld. Daardoor konden ze nu zwierig rond het huis schaatsen en zo 'duizend linten om Hofwijck heen strikken', zoals vader poëtisch in een van zijn vele dichtregels schreef. Dat die vijver in de zomer werd bevolkt door talrijke vissen, was voor de eigenaar handig, zeker voor als er bezoek kwam. De gasten werden dan verwend met verse vis uit eigen vijver. Als ze geluk hadden, kregen ze ook een flesje met het welriekende water, dat gastheer Constantijn zelf had gemaakt uit de blaadjes van zijn rozen. Die bloeiden op de eilanden naast de vijver, onder de dennenbomen. Aan de voet van het dijkje voor de brug die naar het huis voerde, stonden grote potten met dezelfde geurende struiken. De buitenplaats straalde een en al gastvrijheid uit. Zelfs bij het ontwerpen van de tuin was er rekening mee gehouden. Constantijn Huygens was zeer onder de indruk geraakt van de geschriften en de voorbeelden van de Romeinse architect Vitruvius, uit het begin van onze jaartelling. Vooral de menselijke maatverhoudingen spraken hem zozeer aan dat hij het menselijke lichaam zelf uitbeeldde in zijn buiten. Daarbij vormden de twee lange lindelanen die de toegang richting huis vormden, twee armen, die met een breed uitnodigend gebaar de gasten welkom heetten en omarmden. Op de gedetailleerde plattegrond van Hofwijck, die architect-uitvoerder Pieter Post tekende, is dit goed te zien, evenals de rest van het lichaam. Deze plattegrond werd toegevoegd bij de uitgave van het grote gedicht over Hofwijck, dat de trotse bouwheer Constantijn in 1653 publiceerde. Nauwgezet vormden het huis, de bomen, de lanen en de sloten de lijnen van het menselijke lichaam. Dat dit de mooiste resultaten moest opleveren, was duidelijk. De mens was immers geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Zo ontstond een tuin die een herschepping was van het paradijs op aarde. In dit paradijsje Hofwijck was een van de grootste attracties de boomgaard. De gasten mochten zelf fruit plukken en opeten: onaangeraakte pruimen, goudgroene appels, verleidelijk-rode kersen en zondoorstoofde peren. Veel plezier beleefden Constantijn en zijn gasten ook van de berg in de overtuin, aan de noordkant van de Heerwech, het huidige Oosteinde. Die berg was eerst niet in het ontwerp opgenomen, maar ontstond als een geluk bij een ongeluk. Bij de aanleg van de tuin bleek dat hier veel kwade grond zat. Daardoor gingen alle zojuist geplante bomen dood. Dit vormde een ernstige tegenslag bij de realisatie van het buiten. Constantijn gaf dan ook een niet mis te verstane naam aan deze bedrieglijke zandgrond. In het gedicht Hofwyck, noemde hij dit verraderlijke zand 'de Turf-asch vande hell'. Ondanks zijn verontwaardiging kon hij in het gedicht een aardige woordspeling niet nalaten. Die arme bomen stonden door dat helse zand, net als hij 'op heete kolen'. Aan hun verdorde kruinen was te zien hoe erg hun voetzolen waren geroosterd. Pieter Post adviseerde nuchter dat dit helse zand dan maar moest worden afgegraven. Constantijn vroeg zich echter af waar al die gifgrond dan wel naar toe moest. Hij kreeg al angstvisioenen over duizenden paard-en-wagens die af en aan moesten rijden om dat vuile zand af te voeren. En waarheen? De buren wilden het vast niet hebben. Een woordspeling bracht de oplossing: hij moest 'bergen' wat hij moest afvoeren, dus maakte hij in zijn overtuin een fraaie ronde 'Berg' van al dat giftige zand. Daarover kwam een 'groene muts' van gras, veldkruid en madeliefjes. Aanvankelijk had Constantijn op die 'muts van gras' een houten naald, een obelisk, laten plaatsen. In feite was dit een soort eerbetoon aan hemzelf, de eigenaar-schepper van de tuin. Maar God strafte zijn ijdelheid zonder pardon. In september 1651 werd de naald tijdens een verschrikkelijk onweer omvergeworpen. Constantijn trok lering uit deze les en besloot de naald niet opnieuw op te richten maar te vervangen door een uitzichttoren. Aan de voet van de naald was ook wel een verhoging geweest met een uitzichtpunt, maar de bomen werden steeds hoger. Dus werd het steeds moeilijker om over de toppen heen Den Haag en de zee te zien liggen. De nieuwe uitzichttoren, die met twintig treden omhoogvoerde, maakte dat weer mogelijk. Zo werd dit, zeker voor de gasten, een geluk bij een ongeluk. Maar de berg had voor de bezoekers nog veel meer vermaak in petto. Wie dat wilde kon onder aan de berg meedoen met boogschieten. Verderop aan de Vliet, even voorbij de boomgaard, lag de 'bolbaen'.

Collectie Duijvestein,Constantinus Hugenius equ. Zulichemi, Zeelhemi etc, 1896
Collectie Duijvestein,Constantijn Huijgens, Steendrukkerij P. Blommers, 5 x 4,5 cm
Collectie Duijvestein,Constantijn Huijgens, Steendrukkerij P.W.v.d.Weijer, Utrecht, circa 1860, 26 x 17 cm

Hier kegelde Constantijn met zijn kinderen, maar eveneens met hoge gasten. Zo werden Hofwijck en Constantijn voor 'kersen en kegelen' bezocht door Elisabeth Stuart. Zij kwam in een wintermaand vanuit Bohemen als vluchteling in Holland aan, vandaar haar bijnaam: de 'Winterkoningin'. Naast de bolbaen was de uitzit in de Vliet, door Constantijn beeldend zijn 'opentijdverdrijver' genoemd. Tijdens lange zomerdagen zat hij hier, veelal alleen of soms met zijn gasten. Intens genoot hij van het vele 'gevaer' op de Vliet: honderden schepen die dagelijks over het water voorbijvoeren. Hier kwam hij tot rust, even weg van het hectische Haagse hof, waar hij als secretaris van de Oranjestadhouder regelmatig vertoefde. Als vooruitziend diplomaat mijmerde hij hier ook al over de gevaren die een oprukkende grote stad vormde voor het kleine Voorburg. Hier speelden zich eveneens de taferelen af van de voorbijvarende kwaadsprekers, de 'kakelaars' die luidkeels de vraag stelden of zo'n buitenplaats geen verspilling was van geld en natuur. Dat gaf Constantijn natuurlijk alle gelegenheid om zijn buiten omstandig te verdedigen. Bij het invallen der duisternis zag Constantijn vervolgens hoe de naaldbomen, op de twee eilandjes aan iedere kant van het huis, steeds donkerder werden. Langzamerhand werden het vleugels die een engel beschermend sloeg om het kwetsbare Hofwijck. Of waren het, nu het dagelijks slapen gaan weer naderde, toch meer de zwarte vleugelen van de doodsengel die herinnerden aan de eeuwige slaap? Zo wit besneeuwd, vind ik de huidige bomen toch meer weg hebben van beschermengelen. Maar de altijd bezige Constantijn, die slapen gaan steevast als een 'dagelijks sterven' zag, zal wel vooral aan doodsengelen hebben gedacht. Iedere keer als hij de Voorburgse kerkklok tien uur hoorde slaan, kostte het hem moeite om uit zijn uitzit op te staan om zich ter ruste te begeven. Als hij de toegang tot het huis naderde, bleef hij altijd even staan voor de brug, die hij 'de opgang' noemde. Bij het ontwerp had hij zich laten inspireren door de befaamde Rialtobrug van Florence. Op de opgang stonden zes beelden, die samen met de schilderingen in de muurnissen een soort verstild toneelstukje uitbeelden met als hoofdthema dood en vergankelijkheid. Dit 'decoratieprogramma' was ontworpen door Jacob van Campen, die had geholpen bij het hoofdontwerp van Hofwijck. Vooraan stonden vier stenen kinderen die de vier jaargetijden voorstelden en daarmee de cyclus van komen en gaan. Daarachter, direct naast de valbrug boven het water, stonden Hermes en Perseus. Daar moest Constantijn langs als hij, na zijn mijmeringen in zijn uitzit aan de Vliet, 's nachts door de maanverlichte nacht terugliep om zich op zijn Hofwijck 'te gaan begraven in zijn nachtrust'. Hermes, de god van de reizigers, stond daar dan als de begeleider van de stervende om hem over de donkere doodsrivier die onder de brug liep, te begeleiden.

Einstein in Voorburg

Na de dood van Constantijn Huygens op Goede Vrijdag 1687, nam zoon Christiaan zijn intrek op Hofwijck. Christiaan Huygens was inmiddels in Europa beroemd geworden door zijn geschriften en ontdekkingen op het gebied van onder andere wiskunde, astronomie en natuurkunde. Twintig jaar eerder was hem zelfs een jaargeld toegekend door de Franse koning, om de spil te worden van een Academie van Wetenschappen. Daarom verbleef Christiaan vele jaren in Parijs. In 1681 kwam hij echter weer naar Den Haag om in het huis van zijn vader aan het Plein van zijn zoveelste ziekteperiode te herstellen. Hij zou door alle politieke omwentelin¬gen in Frankrijk daarheen niet meer terugkeren. Het kleine Hofwijck leek een goede huisvestingsmogelijkheid voor de ongehuwde Christiaan. Om al zijn boeken te kunnen herbergen liet hij een aanbouw maken aan de voorzijde van het huis, over de brug heen. Op het dak van deze aanbouw plaatste hij een kleine sterrenwacht, voor zijn observaties van het heelal. Hier kon hij ook Saturnus zien, waarvan hij eerder de ring had ontdekt. Tevens zette hij in de tuin van Hofwijck een grote houten kijker neer, waardoor hij en zijn defti¬ge gasten naar deze planeet en naar andere hemellichamen konden kijken. Hier schreef hij ook zijn meest gelezen boek 'Cosmotheoros' met 'gissingen' over buitenaards leven. Op Hofwijck ging hij verder met het slijpen van lenzen om zijn kijkers te vervolmaken. Dit was een hobby die hij deelde met zijn oudste broer Constantijn junior. Tijdens zijn Parijse periode schreef Christiaan regelmatig aan deze broer, waarbij hij zich zeer nieuwsgierig toonde naar de activiteiten van Spinoza. Die woonde in die periode ook in Voorburg en maakte kleine lenzen voor microscopen. Wanneer Spinoza door zou gaan met het slijpen van grote¬re lenzen moest broer Constantijn vooral terugschrijven hoe hij dit deed. Het is de vraag of Christiaan het erg naar zijn zin heeft gehad op Hofwijck. Vooral in de winter was dit zomerhuisje kil en ongezellig. Uit zijn brieven viel af te lezen dat ook het alleen zijn hem benauwde. Hij probeerde zich echter te troosten met de gedachte dat hij hierin koninklijke lotgenoten had: 'Wat me wel een beetje verdriet is dat ik 's middags en 's avonds alleen moet eten, iets wat ik deel met de gekroonde hoofden', schreef hij aan zijn broer. Wat Christiaan wel in Hofwijck waardeerde, was de ligging aan het water. Hier kon hij de trekschuiten tekenen en observeren. Daarbij constateerde hij dat beweging en snelheid relatief waren. De snelheid van de schuit ten opzichte van het stromende Vlietwater was anders dan de beweging ten opzichte van de Vlietoever. Zo legde hij de basis voor de relativiteitstheorie, waar twee eeuwen later Einstein beroemd mee werd. Ook de golfbewegingen in de Vliet waren voor Christiaan een belangrijk studieobject. Hij hoopte ooit een klok te kunnen maken voor op zee. Het slingeruurwerk moest dan natuurlijk wel bestand zijn tegen die lastige golfbewegingen. Zo'n 'zeehorloge' wilde echter niet helemaal lukken. Christiaan overleed in 1695 in een pension aan het Haagse Noordeinde. Hier had hij een kamer gehuurd om de kille eenzame wintermaanden op Hofwijck te ontvluchten. Zijn omvangrijke verzameling wetenschappelijke werken die hij in zijn 'Cabinet op Hofwijck' had liggen, vermaakte hij aan de 'Accademije ofte Bibliotheecq van Leijden'.

Bron

  • Historische wandelingen in Voorburg en omgeving : Vorstelijke dieren en andere prentkunst / Kees van der Leer ; met medewerking van Gerard Duijvestein. - Zwollen : Waanders, 2001