In de Wereldt is veel Gevaer

Uit Toen Leidschendam-Voorburg
Ga naar:navigatie, zoeken

In de Wereldt is veel Gevaer

In de Wereldt is veel Gevaer

Spoken aan de Vliet bij Voorburg

In oude buitenplaatsen langs de Vliet kan het zo nu en dan flink spoken. Dat gebeurt plotseling, maar vooral tijdens lange ijskoude winternachten. Eeuwenlang is dat al zo geweest, maar het viel vroeger minder op omdat een echte buitenplaats in de wintermaanden door de bewoners was verlaten. Slechts een enkele bewoner waagde het om, eenzaam en zonderling, tijdens winterdagen in het grote koude buitenhuis achter te blijven. Juist dan gebeurde het. Op onverwachte momenten, maar duidelijk hoorbaar, werd de stilte verstoord door een onzichtbare kracht die, eerst bijna ongemerkt maar daarna in toenemende hevigheid, aan de luiken rammelde op zoek naar kieren en gaten om daardoor met steeds grotere woede naar binnen te gieren. Op het hoogtepunt van zo'n aanval kreunde het geraamte van het huis in al zijn balken en gewrichten in een wanhopige poging om aan de zware druk van die duistere krachten weerstand te bieden. Geen wonder dat sombere gedachten over de vele gevaren des levens steeds dreigender door het hoofd van zo'n bewoner gingen spoken. Soms verleidde hem dat tot melancholieke gedichten. Een enkele keer leidde het ook tot een dramatische afloop. Dat blijkt uit de nu volgende geschiedenis van het huis In de Wereldt is veel Gevaer. Daarbij zal ook de herkomst van die curieuze naam ter sprake komen. Verrassend genoeg blijkt die naam veel ouder te zijn dan het huidige huis dat omstreeks 1793 werd gebouwd aan de Cleijne Laan te Voorburg.


Een Hugenoot koopt een 'plaijsant huis' in Voorburg

Hoe lang de Cleijne Laan al vanaf de Voorburgse Herenstraat naar de Vliet loopt, kan niemand meer exact vertellen. Op een zestiende-eeuwse kaart staat het straatje al ingetekend, bebouwd met vele karakteristieke huisjes waarvan er enkele de eeuwen zouden overleven. Waarom dit historische straatje na zovele eeuwen in 1885 werd omgedoopt tot Schoolstraat, zal verderop in dit verhaal worden beschreven. Vrijwel aan het einde van de Cleijne Laan heeft eeuwenlang een boerderij gelegen, tussen de Laansloot aan de oostkant en de Buursloot aan de westkant. In oude documenten wordt het omschreven als een 'woonhuijsinge ende erve met een hollenbarge [open hooiberg]'. Toen Hugenoot Jean Nau op 5 november 1738 dit boerenhuis kocht van Cornelis Claesz. van der Laan, kende het boerderijtje al een lange geschiedenis, met als enkele eerdere eigenaren Pieter Louwen, Jan Cornelisz. van der Haes, Dirck Dircksz. Duyn en Ary Jacobsz. Bont. Jean Nau die in de koopakte 'leederbereijder' wordt genoemd, legt bij zijn huisje aan de Cleijne Laan vele putten aan waarin koeienhuiden worden gelooid. Of die bezigheden door de buren erg werden gewaardeerd, is twijfelachtig. Toen omstreeks 1970 bij graafwerkzaamheden de putten werden teruggevonden en geopend, verspreidde het sterke looizuur na al die eeuwen nog steeds een doordringende stank.

Op 6 mei 1745 breidt Nau zijn bezit uit door de aankoop van een oude buitenplaats, die lag naast zijn boerderijtje aan de Cleijne Laan en die als volgt wordt omschreven: 'Een seer plaijsant huijs ende erve welk aen drie partijen kan werden bewoont, met een groote schuur en speelhuijs [koepel] aen de Vlieth, genaemt In de Wereld is veel Gevaar, staande en gelegen [...] op het suijdeijnde vande Cleijne Laan, [...] belend ten oosten de voorsz. Cleijne Laan, ten suijden de Vlieth, ten westen de Buur off Havensloot, ende ten noorden den cooper selfs, belast met vijffentwintigh stuijvers 'sjaars erffpagt toekomende den heer van Werve'. De verkoopster is Apolonia van IJsbergen, weduwe van Damianus van Hensbergen. De buitenplaats was in de familie gekomen via Floris Adriaen van IJsbergen, een Voorburgse schipper die het buiten in 1685 kocht van Michiel Vrolick, 'vendumeester van 't collegie ter admiraliteit tot Rotterdam'. Dat ongetwijfeld een van hen de naam 'In de Wereld is veel Gevaar' aan de buitenplaats heeft gegeven, wordt duidelijk uit het vervolg, waarin staat te lezen dat die dubbelzinnige naam ook iets met varen heeft te maken. Archiefstukken noemen nog als direct voorafgaande eigenaren Joost Engels, Dirck Jansz. Cluijt van Paridon, Henrick Verhoeff (die burenruzie veroorzaakte met een poort die de Vliettoegang belemmerde) en Jan van Son.


Een leerlooierszoon bouwt een nieuw herenhuis aan de Vliet

Toen Jean Nau overleed, erfde zijn zoon Abraham Louis, die hetzelfde beroep had als zijn vader, de huizen met de leerlooierij. Omstreeks 1790 laat hij zowel de oude boerderij als het oude buitenhuis afbreken en vervangen door een nieuw rechthoekig herenhuis, direct aan de Vliet gelegen, op enige afstand van zijn looiputten. De strak symmetrische, naar de Vliet gekeerde voorgevel kreeg een licht uitstekende middenpartij, bekroond door een timpaan met Louis-Seize-guirlandes. Ook de buitendeur werd sierlijk in deze stijl gesneden. Het schilddak, de schuiframen met roedenverdeling, de vele blinden en de hoge schoorstenen onderstrepen de deftige allure. In het interieur sieren muziekinstrumenten en bloemen in de Louis-Quinze-stucornamenten de wanden van de hal. De hoge ramen boden een adembenemend uitzicht over de diepe weilanden richting Delft en Nootdorp. Het geheel werd een waardig onderkomen voor Abraham Louis en Suzanne Rocques, met wie Abraham Louis in 1790 was gehuwd. Twee kleine gedenkstenen aan weerszijden van de hoofddeur aan de Vlietkant, met de initialen ALN - SR en het jaartal 1790, herinneren aan dit huwelijksjaar.

Op 24 januari 1810 overlijdt Abraham Louis, vier jaar later gevolgd door zijn echtgenote. Abraham Louis wordt begraven in de Oude Kerk van Voorburg, in hetzelfde graf waarin in 1789 zijn moeder, Judith Guesdon, de weduwe van Jean Nau, werd bijgezet. Het huis wordt eigendom van Johannes van Drunen. Na diens overlijden in 1834 gaat het over naar zijn zoon. Die heet ook Johannes, woont in Den Haag en is 'collecteur van de koninklijke loterij'. Een kaart uit 1819 laat zien dat Johannes rondom zijn buitenhuis aan de Vliet grote stukken tuin bezat. Op 3 september 1843 wordt het huis gekocht door Bart Schreuders, een 'instituteur' [kostschoolhouder] die het al enige tijd huurde om er zijn kostschool in onder te brengen.


Een kostschoolhouder komt akelig aan zijn eind

Op 25 juli 1826 verleent het gemeentebestuur van Voorburg 'admissie [toestemming] aan [...] Bart Schreuders om binnen de Gemeente van Voorburg als kostschoolhouder te mogen fungeren en onderwijs te geven in [...] vakken van middelbaar onderwijs [...] zullende deszelfs school niet alleen zijn een kostschool zoo voor geheele als halve kost, maar ook daarenboven voor de kinderen van Voorburgs ingezetenen en den omtrek van dien tot eene dagschool verstrekken'. Bart Schreuders, die in Dordrecht woont, verhuist met zijn gezin naar Voorburg om uiteindelijk in het huis aan de Vliet zijn kostschool te beginnen. Op 21 februari 1836 koopt Bart Schreuders van scheepstimmerman Dirk van der Voorst een stuk grond aan de westkant naast het door hem gehuurde huis, met een uitpad naar de Herenstraat. Op dat stuk grond stond nog een 'huizinge en loots ingerigt geweest tot eene scheepmakerij'. Die laat hij slopen zodat hij naast zijn kostschool een mooie tuin kan aanleggen. Op 3 september 1843 koopt hij uiteindelijk ook het huis, waarin zijn instituut is ondergebracht, van huurbaas Johannes van Drunen. Waarschijnlijk is hij het die aan het huis een zijvleugel laat bouwen met leslokalen.

Verder is over het Instituut-Schreuders niet zo veel bekend, wel dat het uiteindelijk een groot financieel debacle werd. Bart Schreuders moet vele sombere momenten en wanhopige nachten in zijn huis aan de Vliet hebben gekend. Op 15 oktober 1845 wordt hij dood in de zeeduinen bij Wassenaar aangetroffen. De 's-Gravenhaagsche Nieuwsbode van zaterdag 18 oktober meldt daarover het volgende: 'In den namiddag van den 15e dezer heeft zich de heer S., kostschoolhouder te V......., tusschen Scheveningen en Wassenaar in de duinen, door middel van een pistoolschot van het leven beroofd. Hij had het pistool tegen den linkerslaap van het hoofd geplaatst en zich zoo de hersenen verbrijzeld. [...] Des morgens had de ongelukkige nog eenige oogenblikken op het Badhuis vertoefd en eenige verversching genuttigd. [...] Tegenspoeden schijnen den heer S. tot wanhoop gebragt te hebben. Hij laat eene echtgenoot met zeven kinderen na. [...]'.

Zijn weduwe, Eva de Voogd, laat hij niet alleen met zeven minderjarige kinderen achter, maar tevens met een volstrekt failliete boedel. Eva stuurt daarom op 22 april 1846 een circulaire aan de schuldeisers. Daarin geeft zij opening van zaken en stelt een regeling voor in de volgende treffende bewoordingen: 'De droevige gebeurtenis, die mij weduwe heeft gemaakt, en op mijne schouders de zorg voor zeven onmondige kinderen geheel alleen doet drukken, is UEd. bekend. [...] Het is mij thans [...] gebleken dat, hoe ongunstig de boedel zich ook heeft laten aanzien, [...] aan de concurrente schuldeischers zal kunnen worden uitbetaald 20 pCt hunner schuldvorderingen. [...] Door meer dan gewone belangstelling, welke ik in mijn droevig lot heb mogen ondervinden, en de daaruit geboren hulp van mij toegenegen menschenvrienden, heb ik tot heden de zaak van de kostschool, zonder de belangen der crediteuren te kwetsen, kunnen gaande houden, en zoude ik ook daardoor, bij de overlevering in handen van den eventueel te benoemen Kostschoolhouder, in staat geraken om [...] het aan de Crediteuren aankomende binnen zeer korte tijd uit te betalen'.


Een befaamd pedagoog redt een failliete boedel

De circulaire treft het beoogde doel. De regeling wordt door de schuldeisers geaccepteerd. Bovendien wordt er een passende koper voor het huis en de daarbij behorende roerende zaken gevonden. Die koper is dr. Petrus de Raadt, 'instituteur wonende op den huize Noorthey'. De koopakte van 29 mei 1846 geeft als omschrijving: 'Een huis ingerigt tot eene kostschool met het daarnevens gelegen erf en speelplaats, mitsgaders ten westen daarvan gelegen tuin met een laantje en poort uitkomende aan de Herenstraat, staande en gelegen aan het einde der Kleine Laan [...]'.

Dr. Petrus de Raadt was geen onbekende in onderwijsland. Hij was een gerenommeerd pedagoog die sinds 1820 op de buitenplaats Noorthey te Veur zijn befaamde kostschool leidde. De Raadt legde zijn ideeën vast in diverse geschriften. Voor zijn leerlingen hanteerde hij een strakke dagindeling van 's morgens 6 tot 's avonds 10.30 uur. Prijzen of belonen kwam bij hem niet voor, straffen werden vrijwel niet toegepast. Bij 'wederkerige welwillendheid' was dat volgens De Raadt ook niet nodig. Van groot belang was de inrichting van het instituut. De gebouwen dienden 'eene vrije en onbelemmerde ligging' te hebben, 'recht geschikt tot verblijf van een levendig, vroolijk, dikwijls luidruchtig gezelschap'. In het spel zag De Raadt een 'groote opvoedkundige kracht'. Daarom moest bij de school een goed voorziene gymnastiekzaal en een ruime speelplaats aanwezig zijn. 'Daar werd gespeeld met de bal, met den hoepel, daar was een kegelbaan [...], daar werd stelten geloopen en steltengevechten gehouden en eindelijk waren er gymnastische werktuigen, waaraan allerlei acrobatische toeren werden verricht'.


Een instituut met een dubbelzinnige naam

Omdat Petrus de Raadt zijn handen vol had aan zijn Instituut-Noorthey wilde hij niet de dagelijkse leiding van een tweede kostschool op zich nemen. Als kostschoolhouder voor het instituut te Voorburg werd daarom op 19 mei 1846 benoemd Christoffel Willem Bruijnings Ingenhoes, die reeds sedert 1839 onderwijzer was aan het Instituut-Schreuders. Direct na de dood van Bart Schreuders werd hij al met de tijdelijke waarneming belast. Op 8 april 1846 schrijft hij een sollicitatiebrief met onder andere de volgende zin: 'Dat hij suppliant, zoo in deszelfs eigen belang, als in het belang van de diep ongelukkige weduwe en zeven hulpbehoevende kinderen van den overleden kostschoolhouder Schreuders gaarne die tijdelijke waarneming zag vervangen door eene definitieve aanstelling als kostschoolhouder [...]'. En zo geschiedde.

De jonge, 29-jarige Christoffel Willem wist in korte tijd van de kostschool 'eene gunstig bekende inrichting van opvoeding en onderwijs' te maken met als leerlingen 'vele jongelui van goeden huize en aristocratische families'. Ongetwijfeld heeft hij daarbij kunnen profiteren van de betrokkenheid van De Raadt en zijn onderwijskundige gedachten. Ook financieel verliep alles positief zodat Christoffel Willem op 31 maart 1851 het huis aan de Vliet kon kopen van Petrus de Raadt. Petrus werd op dat moment volledig in beslag genomen door een voor hem bijzonder eervol gebeuren: de zoon van koning Willem III werd ingeschreven als leerling van Noorthey. Het is overigens gedurende de periode Bruijnings Ingenhoes dat de oude naam 'In de Wereldt is veel Gevaer' weer wordt vermeld voor het huis waarin de kostschool is gevestigd. Die naam past overigens goed in de traditie om buitenplaatsen een naam te geven met een dubbele betekenis. Hofwijck is daar een bekend voorbeeld van. Uiteraard is de belerende naam 'In de Wereldt is veel Gevaer' voor een kostschool zeer toepasselijk. Immers een goede kostschool zal zijn leerlingen wijzen op de vele gevaren des levens. Vanuit diezelfde kostschool kon dagelijks worden waargenomen dat ook de tweede betekenis van de naam juist was: op de Vliet wordt veel gevaren, evenals in de rest van de wereld.

Christoffel Willem kreeg vier kinderen, onder wie Pieter Hendrik die in 1850 werd geboren in het woongedeelte bij de kostschool. In 1877 volgde deze Pieter Hendrik, die inmiddels zijn doctorstitel had behaald, zijn vader op als kostschoolhouder. Het verslag van het Middelbaar Onderwijs te Voorburg over 1894 vermeldt dat aan de kostschool van de heer dr. P.H. Bruijnings Ingenhoes zowel lager als middelbaar onderwijs wordt gegeven. Het aantal leerlingen bedraagt 60, waarvan 45 interne 'kostleerlingen'.

Pieter Hendrik laat in 1896 in de tuin naast zijn huis met de kostschool, aan het einde van de Voorhofstraat, een apart huis bouwen, waarin hij zelf wil gaan wonen. Zijn vader was al eerder verhuisd naar het huidige pand Herenstraat 104, dichtbij de kostschool gelegen op de hoek van de Kleine Laan en de Herenstraat. Christoffel Willem overlijdt op 5 augustus 1896. De Kleine Laan was toen inmiddels, sinds 1885, omgedoopt in Schoolstraat. Dat was een eerbetoon aan de school aan het einde van die straat, de kostschool 'In de Wereldt is veel Gevaer' die dankzij Christoffel Willem zo bekend was geworden.


Nieuw leven in een oude kostschool

In de Wereldt is Veel Gevaer in 1905. Collectie Kees van der Leer

Aan het begin van onze twintigste eeuw raken kostscholen op hun retour. Ook voor het Instituut-Bruijnings Ingenhoes lijken de hoogtijdagen definitief voorbij. Pieter Hendrik besluit de kostschool vaarwel te zeggen en zich volledig terug te trekken in zijn nieuwe woning naast de kostschool. Toch betekent dit nog niet het einde van het onderwijs aan de Vliet. Er komt uitstel van executie dankzij Jacobus Anne Hendrikus Reiziger, een instituteur aan wie Pieter Hendrik zijn gebouw verhuurt.

Het Voorburgsch Nieuws- en Advertentieblad van 16 januari 1904 geeft daarover het volgende bericht: 'Wij constateeren met groote ingenomenheid het feit, dat de quaestie van het Jongeheeren-Instituut alhier thans tot eene volledige oplosing is gekomen. De heer J.A.H. Reiziger heeft zich sedert 1 Januari definitief belast met de leiding van deze inrichting van opvoeding en onderwijs, die voortaan den naam zal dragen van Instituut-Reiziger, Huize De Vliet, internaat en externaat. Aan de hand van sprekende feiten durven wij Voorburg geluk te wenschen met dezen loop der zaken en zulks zeker in de eerste plaats op grond van de wetenschap, dat het streven van den heer Reiziger zal zijn de geestelijke en moreele belangen der aan zijn zorg toevertrouwde jongelui te vereenigen en op het geheele wezen van het Instituut den stempel te drukken van goeden toon en beschaving. [...] Na een eervolle loopbaan bij het onderwijs zoo in Nederland als in West-Indië, waar hij door zijne humaniteit, zijn' takt en zijne groote paedagogische gaven als mensch en opvoeder hoog in eere stond en algemeen bemind was, [...] is hij thans in ons midden gekomen'.

Reiziger heeft grootse plannen en een goed gevoel voor 'public relations'. Hij geeft een fraaie prospectus uit waarin hij in goedgekozen bewoordingen zijn instituut aanprijst. Zo schrijft hij onder andere: 'Het Instituut-Reiziger heeft eene fraaie en gezonde ligging en voldoet aan alle eischen, die de hygiëne in onze dagen aan eene Inrichting als deze stelt. De schoollokalen, alsmede de overige vertrekken ten behoeve van de jongelieden, zijn ruim en frisch. [...] Achter de schoollokalen bevindt zich een ruime speeltuin, geschikt voor de meeste openluchtspelen. Schoollokalen en eetzaal hebben centrale verwarming. Spelen en wandelingen onderbreken op doelmatige wijze de lesuren en den studietijd'. Over het doel van de Inrichting laat hij de ouders niet in het ongewisse: 'De Inrichting heeft ten doel, jongelieden uit den beschaafden stand eene degelijke, wetenschappelijke opvoeding te geven. Aan karaktervorming wordt veel zorg besteed, terwijl door gepaste uitspanning naast eene geregelde, gezonde leefwijze de zedelijke en lichamelijke ontwikkeling wordt bevorderd'. Naast de prospectus geeft Reiziger ook een mooi boekje uit met uitscheurbare ansichtkaarten. Deze geven een fraaie indruk van het exterieur en het interieur van het Instituut-Reiziger.


Een melancholieke dichter aan de Vliet

Jacobus Reiziger woonde, net als zijn voorgangers-kostschoolhouders, met zijn gezin in het grote huis, het voorgedeelte van het instituut direct aan de Vliet. Hij had een zoon Jacobus Nicolaas, die in 1889 te Parimaribo was geboren. De nog jonge Jacobus Nicolaas schreef in het oude huis aan de Vliet vele melancholieke gedichten. Dat waren gedichten in de geest van de jong overleden dichter Jacques Perk, vol onvervuld verlangen, verwoord in natuurbeelden. Met name de Vliet speelt een hoofdrol in zijn gedichten:

'Een stille bedevaart heb ik gedaan
Naar d' ouden vliet, beplant met lindeboomen.
Waaronder grauwt het pad der schaduw-laan,
waarin zoo vaak ik dwepend liep te droomen'.

De bewondering voor Perk ging zo ver dat Jacobus Nicolaas zich ook Jacques ging noemen en zijn gedichtenbundel schreef onder de naam Jacques Reiziger. De in fraai handschrift geschreven dichtregels droeg hij op 'aan die edele, vreemde zielen, die mij deze verzen inspireerden'. Een zekere gevoeligheid voor het spiritisme blijkt uit één van de verzen die hij in 1906 dichtte in zijn ouderlijke huis aan de Vliet onder de titel 'Spritistische séance':

'Mij komt nu stilte tot gedenken nooden
En eenzaamheid, die dan haar wondren toont
Door gouden aureolen-glans omkroond
Aanschouw ik hen, wier geesten eenmaal vloden'.

Het gedicht zou de voorbode vormen van schimmige activiteiten die een halve eeuw later daadwerkelijk in het huis zouden plaatsvinden.


Een abrupt einde van een kostschool

In 1909 valt, volkomen onverwacht, definitief het doek voor de kostschool in Huize De Vliet. Alle ouders en voogden van de leerlingen van het Instituut-Reiziger ontvangen een brief gedateerd 19 augustus 1909: 'Ondergeteekende heeft de eer, te Uwer kennis te brengen, dat hij zijne Inrichting voor opvoeding en onderwijs met den nieuwen cursus niet zal heropenen. Hoewel dit besluit hem leed doet, acht hij zich niet verantwoord, met het oog op zijne gezondheid, de vele beslommeringen, die zijn veelomvattende en verantwoordelijke werkkring met zich brengt, voor een nieuw schooljaar op zich te nemen. Wijl deze mededeling het gevolg is van een dezer dagen gehouden medisch consult, was het ondergeteekende niet mogelijk, van dit besluit eerder kennis te geven. Erkentelijk voor het hem geschonken vertrouwen, tekent hij zich met de meeste hoogachting, J.A.H. Reiziger'. Het gezin Reiziger verhuist 29 november 1909 naar Den Haag.


Een wasserij met stoommachine en spiritisten

In 1911 verkoopt Pieter Hendrik Bruijnings Ingenhoes het huis 'In de Wereldt is veel Gevaer' aan Friedrich Wilhelm Christiaan Waldeck. Die krijgt op 27 april 1911 vergunning om in het huis 'een wasscherij met stoommachine' te beginnen. Drie generaties Waldeck zouden die wasserij 62 jaar lang blijven beheren. Het is echter niet bij die wasserij gebleven. Tijdens deze periode blijkt in het voorhuis van 'In de Wereldt is veel Gevaer', gedurende de zestiger jaren een magnetiseur en een spiritistisch genootschap te huizen. De geruchten maken van het oude huis dan al snel een echt spookhuis waarin geesten worden opgeroepen in een duistere kamer van het bovenhuis. Het zijn geruchten die zelfs de landelijke pers halen en die, mede gelet op ooggetuigenverklaringen, zeker een grond van waarheid bevatten. Interne ruzies en de bemoeienissen van buitenaf betekenen tenslotte het einde van al die geheimzinnige activiteiten. Het huis komt daarna korte tijd in het bezit van gynaecoloog Schlebaum. Daardoor komt een nieuwe geruchtenstroom op gang over bepaalde medische praktijken die in het huis zouden gaan plaatsvinden.


Hernieuwde rust in een Wereldt vol Gevaer

De rust keert pas weer terug nadat een korte maar felle brand een gedeelte van het dak in de as had gelegd. Inmiddels was het pand in bezit gekomen van aannemer Lucas die het in 1976 volledig restaureerde en het, als beschermd monument, zijn oude luister teruggaf. Daarbij werd een gedeelte van de negentiende-eeuwse zijvleugel met de vroegere leslokalen afgebroken. De oude gymnastiekzaal, gebouwd in de vorm van een koetshuis, die volgens documenten en kadastrale kaarten waarschijnlijk dateerde uit de periode Bruijnings Ingenhoes, werd ook gerestaureerd. Het geheel werd een appartementencomplex, waardoor het huis de oorspronkelijke woonfunctie weer terugkreeg. Zo ontstond er een nieuwe toekomst voor het markante huis aan de Vliet. De drukke verkeersweg die in de tachtiger jaren ernaast werd aangelegd, geeft een nieuwe dimensie aan het vele gevaar waar de oude naam al zo lang voor waarschuwt.

Enkele jaren voor de restauratie was de zoon van de laatste kostschoolhouder, de jonge poëet Jacques Reiziger, overleden. Hij werd begraven op Eik en Duinen. Zijn eigen grafschrift had hij lang daarvoor al geschreven. Met dat grafschrift eindigt dit verhaal. Het spreekt over de uiteindelijk rust voor een rusteloze reiziger in een wereld vol gevaar:

'Grafschrift.
Hier ligt een Reiziger, die lang naar ruste zocht
En van het reizen moe, hier eindlijk rusten mocht'

Maar toch, op koude winternachten fluisteren nog steeds zijn herinneringen onrustig in de kieren en de balken van het oude huis aan de Vliet, als weemoedige geesten, vreemde zielen, gevangen in verzen die ooit in dit Huis werden geschreven.


Bronnen

  • Kees van der Leer, 'Melancholieen op een kostschool in een wereldt vol gevaer, in: Historisch Voorburg, jrg. 3, nr. 2 (1997)
  • Kees van der Leer, 'Dichterlijke droefheid in een Jongeheeren-Instituut, in: Historisch Voorburg, jrg. 6, nr. 2 (2000)
  • Kees van der Leer, 'In de Wereldt is veel Gevaer te Voorburg' in: Kastelen en Buitenplaatsen in Zuid-Holland (2000)