Klapwachten

Uit Toen Leidschendam-Voorburg
Ga naar:navigatie, zoeken

Klapwachten

Klapwachten, klapwakers, klapperlieden, kleppermannen. Hun taak was waken, wachthouden, rondgaan met den klap: een houten instrumentje dat een luide tik gaf als je ere mee zwaaide. Dat hoorde men binnenshuis en dat gaf rust. De bewapening bestond uit een halve piek (sponton) en een sabel. Uit de archieven van Rotterdam komt het volgende: Om tien uur 's avonds moesten de dienstdoende klapwakers in de wachthuizen zijn: in de zomer tot drie uur en in de winter tot zes uur de ronde doende. Ze moesten elk hun wijk trouw doorwandelen zonder enige straten over te slaan. Daarbij moesten zij telkens op de klap slaan en iets roepen. Als een klapwaker met moeilijkheden geconfronteerd werd, die hij alleen of samen met zijn maat niet aan kon, dan moesten op een sein de andere klapwakers te hulp schieten. De essentie van hun taak wordt weergegeven in artikel 28: Zijn gehouden in het omgaen acht te geven of ergens deuren of vensters open zijn gebleven, gelijk mede op brand, dieverije, huysbraek, straetschenderye en allerley geweld.

Tegen te grote commotie werden zij niet verondersteld opgewassen te zijn, want wanneer zij enig oproer of samenrotting constateerden, dan moesten zij daarvan aanstonds de Heer Officier (dat is de baljuw-schout) en de Burgemeesteren in kennis stellen.

Per nacht ontving de klapwaker acht stuivers, 's winters zelfs tot twaalf stuivers. Ze staan als dienaren van wet en orde onder de speciale protectie van de Magistraat, soodanig dat degene die zouden mogen bestaen deselve qualijk te bejege¬nen, met woorden of daden, daerover aen den lijve of ander¬sints, na gelegentheyt van het feyt, rigoureuselijk sullen werden gestraft. Om vals alarm te vermijden was ook bepaald dat niemant buyten de klapwakers vermag des nachts eenig geluyd met de klap te maken, op poene van ses weecken te water en te brood geset te werden. Men diende zijn klep te houden. Een belangrijk onderdeel van de klapwacht betreft de alarmering bij brand. De klapwakers moesten aanstonds de burgerij alarmeren en roepen waar de brand was ontstaan. De naburige klapwakers moesten het alarm overnemen en zo verder. De klapwacht was overigens niet de enige instantie, die bij brand alarm moest slaan. Ook de burgerwacht had op dit punt stringente taken. Onmiddellijk na de melding was de officier van de burgerwacht, die de hoofdwacht commandeerde, verplicht de trommel te doen roeren, de brandklok te laten kleppen en een detachement wachters naar de plaats van de brand te sturen. Dit detachement diende daar te blijven, totdat de compagnie schutters van de wijk ter plekke was aangekomen. Deze had zich daartoe tevoren verzameld bij het huis van de vaandeldrager. De burgerwacht had niet zozeer een taak bij het blussingswerk als wel bij het handhaven van de orde. In het archief van de Rotterdamse schepenen met de fascinerende naam Registers van kwade klap stond een komplete lijst met de gerechtelijke afhandeling van zaken, die door de klapwakers waren aangebracht.

Nieuwjaarswens van de klapwacht uit 1725 waarop de uitrusting is te zien.

Bron: www.engelfriet.net

Terug: Voorburghs Korte Gedenkzuil