Meer wordt polder, water wordt land (1)

Uit Toen Leidschendam-Voorburg
Ga naar:navigatie, zoeken
Meer wordt polder, water wordt land (1)
710 3 luuk greansjean.jpg
Meerpolder
Adres
Lokatie ,
Jaartal 1600 -
Lees meer
Referentie
Categorie Object
ELV logo logo rgb-001.png

In het begin van de zeventiende eeuw werd droogmaken steeds gemakkelijker. Er konden nu molens worden gebouwd die stevig genoeg waren om grote hoeveelheden water omhoog te brengen. De nieuwe achtkante bovenkruier had grote wieken, waardoor meer kracht kon worden uitgeoefend. En omdat alleen de kap draaibaar was - en niet de hele molen zoals bij een wipmolen - kon het achtkante staande deel steviger worden uitgevoerd. Een scheprad tot zeven meter doorsnede wist het water tot twee meter op te voeren, maar bij de meeste molens werd een meter gerekend. Als een aantal molens achter elkaar in een molengang werd gezet, dan kon het water getrapt nog hoger worden uitgeslagen.

Het initiatief voor droogmaking van het ‘Soetermeersche Meer’ leek te liggen bij de heer van Benthuizen, ambachtsheer van Zoetermeer, Wijngaarden en Ruibroek: Jacob Oem van Wijngaerden (ca. 1580-1650). Hij was lid van de Ridderschap van Holland, actief als diplomaat en bezette als hoofdingeland een van de vijf vaste adellijke plaatsen in het bestuur van het Hoogheemraadschap Rijnland . De jonkheer verbleef veel in Den Haag aan de Lange Vijverberg en had in Voorschoten het Huis Ter Lips. Jacob bezat het recht op visserij en vogelarij op het gehele Zoetermeersche Meer, dat vaak werd verpacht maar weinig opbracht. Land zou veel meer opbrengen. Op 30 oktober 1613 stond hij met vijf partners voor notaris Jacob Jansz Verweij te Leiden: Everardus Vorstius, professor in de medicijnen te Leiden; Johan Pellecorn, koopman en Christoffel Dircksz van Nieuwenhoven voor zichzelf en namens de niet aanwezige Willem Usselincx.

Ze verklaarden dat ze samen octrooi bij de Staten van Holland zouden aanvragen om het Zoetermeersche Meer droog te mogen maken met daarbij alle rechten die bij eerdere bedijkingen ook waren gegeven. Afschriften van de aanvraag gingen vermoedelijk naar het Hoogheemraadschap Leiden en naar burgemeesters en regeerders van de stad Leiden.