Molen de Hoop

Uit Toen Leidschendam-Voorburg
Ga naar:navigatie, zoeken
Thema's
Houtzaagmolen De Hoop
De Hoop is een houtzaagmolen in Leidschendam. .
1
2
3
4
5
Gerelateerde Thema's
Wiki Rijksmonumenten
ELV logo logo rgb-001.png

De Hoop

Landkaarten
Hoogheemraadschap Rijnland kaart A-4279 small.jpg Stompwijk minuutplan 1819 sectie FH LeijdschenDam small.jpg

Lokale verhalen

Bouw van Molen de Hoop

Houtzaagmolen de Hoop, de tweede zaagmolen aan de Vliet

Gosewijn van Dijk, zoon van een Rotterdamse molenaar, koopt in 1735 de zaagmolen van Jacob Kaper. Al in 1730 wordt in een advertentie in de ’s-Gravenhaegse Courant een ‘Zaegmolen nevens een Houtkoperij, staande aan den Leydschendam in de Heerlijkheid van Veur’, uit de hand te koop aangeboden door Jacob Kaper. De houtkoperij ‘is reeds 16 a 17 jaren met goed succes gedaan; zijnde de molen voorzien van alle gereedschappen tot de houtzagerij nodig, nevens een bequam woonhuijs met een aparte wooning voor de knegts, ook schuyten en bequame schuuren om ‘t hout in te leggen’. Op 21 augustus 1735 laat Gosewijn voor Mr. Daniel Pointz, Baljuw, Schout Corstiaan van der Pelt en Jacob Wassenaar, schepenen der Vrije Heerlijkheid van Veur, vastleggen dat hij het geheel heeft gekocht van Jacob Kaper. Hij betaalt voor de zaagmolen, het bewoonde woonhuis, schuren, een hond erf (ca. 0,15 hectare) en de vaste gereedschappen ƒ 3400 en voor de losse gereedschappen ƒ 600. Het geheel ligt aan de Noordzijde van de Leijdschendam aan de Vliet. Hij moet ieder jaar op de 1e januari vier gulden windgeld betalen aan de Hoog Ed. Vrouw Douairière van Duvenvoirden als Vrouwe van Veur. Met deze aankoop wordt hij houtkoper, voor het zagen van de boomstammen heeft hij de zaagmolen (De Salamander) als instrument. Op 23 oktober 1735 trouwt hij met Jannitje van den Berg en vestigen zij zich definitief in Veur in het woonhuis op het erf van de molen.

Uitbreiding van de houtkoperij

Kennelijk gaat het Gosewijn van Dijk voor de wind en is hij van plan de houtkoperij uit te breiden met een tweede zaagmolen. Daarvoor is uitbreiding van zijn erf nodig; hij koopt enkele stukken land van zijn buren aan. Voor de financiering en voor de bouw van een tweede molen steekt hij zich diep in de schulden; uit de archieven blijkt dat de diverse houtkopers in de 17e en 18e eeuw zakelijke transacties rond de houthandel en koop of uitbreiding van de houtkoperij steeds mogelijk maken door het aangaan van geldleningen; de molens zijn dan vaak het onderpand. Bij schout en schepenen van Veur zijn Gosewijn en zijn vrouw op 9 augustus 1737. Zij zijn aan juffrouw Johanna Pijl, weduwe van Johannes Keetelaar in Voorburg ƒ 2000 schuldig. De rente bedraagt 3 % per jaar. Aflossing geschiedt met ƒ 1000 per jaar. Het kapitaal mag binnen 4 jaar niet worden opgeëist; daarvoor moet men elkaar 3 maanden van te voren behoorlijk waarschuwen. Onderpand is een zaagmolen met woonhuis en schuren, het erf en de losse en vaste gereedschappen. Gijsbert Jaspersz van Haastrecht verschijnt op 14 maart 1738 voor schout en schepenen van Veur. Hij heeft aan Gosewijn een gedeelte van een afgebakend stuk land verkocht. Het ligt in de Rietvinkpolder achter en ter zijde van het erf van de koper. Wil de koper een sloot op de grens van verkopers land als afscheiding, dan mag hij dat laten maken. Wel moet er dan op zijn kosten een kade naar het buitenwater van verkopers land komen en behoudt verkoper ook het recht om met zijn schuit uit de Vliet in deze sloot tot aan zijn land te mogen varen. De koper moet ook een dam leggen aan de Noordoostzijde om te dienen tot een overpad voor de verkoper over des kopers erf tot aan de Vliet en er een hek op zijn kosten moeten maken en onderhouden. Het geheel is verkocht voor ƒ 250 contant. Op 21 mei 1738 zijn Gosewijn en zijn huisvrouw bij schout en kerkmeesters van Voorschoten. Bij de Kerk van Voorschoten hebben zij een lening (schepenschuld of hypotheekbrief) afgesloten van ƒ 2000; de rente is 3 % per jaar. Hun zaagmolen, woning, schuren en twee hond land dienen als borg. Bij Jan Tack, medicine doctor in Leiden heeft hij in 1738 een schuld van ƒ 6000.

Een tweede wind-zaagmolentje, zaagmolen De Hoop Goose van Dijk richt zich in 1739 ‘reverentelijk’ tot de hooged. welgeb. Vrouwe Anna Margareta Baronesse Bentinck, Douairière van Wassenaar, Duvenvoirden, Vrouwe van Duvenvoirden, Voorschoten, Veur enz. ‘Tot beeter kostwinningh voor hem en zijn familie als tot meer gerief van de inwoonders van Veur, Voorschoten en andere nabij leggende dorpen wil hij nogh gaarne een tweede wind-zaagmolentje op seker bij hem gecocht erve ten oosten van de oude zaagmolen aan de Vliet onder Veur omtrent den Leijdschendam bij hem tegenwoordigh beseten werden soude willen doen oprichten’. Hij verzoekt ‘consent en approbatie, te vreede sijnde aan u Ed voor ’t recht van de windt jaarlijks te betalen deselve moole recognitie als hij en zijn voorsaten weegens sijn oude zaagmolen tot vier guldens ‘s jaars hebben betaalt’. Anna Margaretha Baronesse Bentick geeft op 19 maart 1739 haar toestemming. Hij mag de molen op zijn kosten oprichten, mits aan haar of haar opvolgers voor het recht van de wind 4 gulden per jaar betaald wordt. Zulks ‘ingaande zo haast de moole gebragt zal zyn onder zeyl en alleen gedurende de tijd dat de molen aldaar zal blijven staan’. Van een andere buurman, Wolphert van der Hoeve, koopt hij voor ƒ 450 in contanten een partij afgebakend wei- of hooiland, groot vier hond, eveneens in de Rietvinkpolder. Voor schout en schepenen is dit op 23 april 1739 vastgelegd. De verkoper mag de molensloot in het achterste gedeelte van zijn land op zijn kosten zes roeden dichter naar de Vliet leggen, welke molensloot dan de scheiding tussen verkoper en koper is. De koper heeft een uitpad te voet over het land van verkoper naar de Heerewegh toe; koper stelt aan Van der Hoeve een grashoek beschikbaar aan de zuidwestzijde op het verkochte ter breedte van zeven roeden, om het gedurende twintig jaren te mogen begrazen, zonder dat hij daarvoor iets aan Van Dijk hoeft te betalen. En verder zullen Van der Hoeve of zijn erfgenamen de keuze hebben om na die twintig jaren deze grashoek te mogen blijven gebruiken, zo lang als hij verkoper of zijn erfgenamen dat zullen goedvinden, maar dan met een vergoeding van ƒ 10,00 per jaar. Ten slotte sluit hij in die tijd bij Jan Balthasar Strick van Linschoten, Heere van Nieuw Helvoet en kanunnik van de kapittel van de Sint Pieter in Utrecht, een lening af van ƒ 4000. Met deze uitbreiding van zijn erf en de financiering ervan komt er in Veur een houtkoperij tot stand met aan de Vliet twee zaagmolens, De Salamander en De Hoop.

Verkoop van de zaagmolens

In 1755 hertrouwt Gosewijn met Elisabeth van Spijk, weduwe van de Leidse zeepzieder Willem van Oorde. Vermoedelijk al in 1765 is Gosewijn niet meer in staat tot zelfstandig handelen. In 1767 is hij voor onbepaalde tijd opgenomen in het Verbeterhuis de Vergulde Cabel in Delft, waar mannen – uit de meer draagkrachtige families – ‘aan verzwakte geestvermogens lijdende’ verblijven (krankzinnigheid, slecht gedrag of tot wanneer iemand weer over zich zelf kan gouverneren). Op 27 februari 1767 heeft hij vanwege die opname met zijn vrouw bij het Hof van Holland een akkoord gesloten, de rechterlijke uitspraak dateert van 10 februari 1768. Zij zijn dan gescheiden van ‘Bedt, Tafel, bij wooning en goederen’. Elisabeth krijgt alle roerende en onroerende goederen om daarmee te handelen; voor haar rekening en verantwoordelijkheid zijn ook alle gezamenlijke schulden en lasten. Om Gosewijn een uitkering te kunnen betalen is zij verplicht het huis, de zaagmolens en de houtwaren uit de boedel zo spoedig mogelijk te verkopen en schulden en lasten te vereffenen. Gosewijn krijgt alvast jaarlijks ƒ 200, in 4 parten van ƒ 50; uit de opbrengsten van de verkoop moet zij voor Gosewijn obligaties kopen.

Wellicht is Martinus van Oorde samen met zijn stiefvader Gosewijn in die voor het gezin moeilijke tijd eigenaar geweest en heeft hij de houtkoperij voortgezet in naam van zijn moeder. Op 18 oktober 1768 wordt die Compagnieschap van Negotie in Houtwaren, dan op naam van Martinus van Oorde Wzn. opgeheven. Arnoldus Theodorus Zoodaar koopt op 1 november 1768 de helft van de molens. Met Martinus gaat hij dan een Compagnieschap van Negotie in Houtwaren aan. Voor korte tijd: zijn moeder verklaart die compagnieschap in september 1769 ‘van onwaarden en onbestaanbaar’. Dat ‘tot voorkoming van alle disputen en onenigheden welke zouden kunnen ontstaan of resulteren, of wanneer er geen balance wordt opgemaakt’. Zoodaar verwerft de andere helft op 1 april 1770.

De molens door een ongeval weleer omver gestoten en herbouwd

In de jaren ’70 van de 18e eeuw wordt Zoodaar door een grote ramp getroffen. De enige vermelding over deze ramp, het afbranden van de beide molens, treffen we aan in ‘De Nederlandsche Stad en Dorp-Beschrijver’ uit 1799. Daarin wordt gemeld: Anno 1773/1774 branden in Veur twee houtzaagmolens af met aldeszelfs aanbehoren. Tussen 1778 (De Salamander) en 1780 (de Hoop, de tweede molen) zijn beide molens herbouwd. Dan wordt de houtkoperij ‘Windlust’ genoemd, eveneens de naam voor het woonhuis van de eigenaar. In 1778 trouwt Jan Anthonij Prijn met de Stephana, de dochter van Zoodaar. Bij hun huwelijk wordt ook verwezen naar die ramp: Zaagt gy Zoodaars huisgezin, Door de zwaarste rampen drukken, Thans ziet ge al die ongelukken, Vlugten voor de prysb're min.

Op 25 mei 1780 is in een ‘Heilwensch ter gelegenheid van het Inwijdingsfeest van desselfs tweede molen’ onder andere vermeld over molen De Hoop: ’door een ongeval weleer omver gestoten’, ´tot de grond toe afgebrand´ en ‘is ’t even na vijf jaaren geleden’. In de heilwens wordt dan ook al Windlust vermeld: ‘Op Windlust, dit verblijf dat ieders oog bekoord’.

De herbouw financieel gesteund door Erfstadhouder Prins Willem V van Oranje Nassau?

Er zijn aanwijzingen dat de herbouw van de molens mede mogelijk is gemaakt door Prins Willem V (1748 - 1806). Het zou gaan om duizenden guldens en honderden dukaten. In de Patriottentijd is houtkoper Prijn in Veur ook actief, o.a. als commandant van een patriottisch vrijkorps. Tegenstanders, de Oranjegezinden, kunnen het niet nalaten hem en zijn aanhangers te beschimpen. Zoodaar en Prijn worden verweten die weldaden van de Prins geheel en al te vergeten. De Oranjegezinde Siliakus uit Voorburg verwijst in 1785 naar Prijn, ‘die de kunst bezit om de Weldaden, die de Prins na het afbranden der molens van zijn schoonvader beweesen heeft, glad en al te vergeeten’. In hetzelfde jaar wordt de Prins in het Oranjegezinde weekblad de ‘s-Gravenhaagsche en Rotterdamsche post-waagen geprezen om zijn weldaden: ‘Na dat wij onze Heer Schout zonder Antw. tot heeden bekoomen te hebbe hebbe gevraagt waar in Overheerst den Vorst: zoo zijne wij en vinde ons verpligt die vraag met meer vraagens te beantwoorde. Bestaat de Overheersing van den Vorst hier in dat Hij altoos zijne milde Beurs ope doet voor zijn arme Evemense zoo danig dat nu Kerk en armbezorgers in Schravenhage wel gewaar worde dat den Vorst al enige weeke het zelve heeft verlaaten. Of ook wel hier in dat enige deftige ingezeetene die door het een of ander ongeluk in kommerlijke rampe zijn gestort uit dezelve opbeurt en hen Penninge geeft en schenkt: om andere maar stilzwijgende voorbij te gaan kan hier van getuige Mr Prijn zijn Schoonvader wanneer een Fel vernielende Vlam deszelfs Zaagmoolens had verteert, was het niet den Overheerst werdende Vorst die uit deszelfs Prive Beurs hem Duijzende van Guldens schoot zonder Intrest en hem Honderde van Dukaaten schonk’.

In 1779 gaat Zoodaar met zijn schoonzoon Jan Anthony Prijn een compagnieschap aan. Voor korte duur, want Zoodaar vertrekt in 1781 naar Zoeterwoude. De houtkoperij komt dan in handen van Jan Breur en zijn kleinzoon Jan Anthonij Prijn. In 1803 wordt het geheel verkocht aan Adolf George van der Schooren. De familie van der Schooren is tot 1880 eigenaar van de houtkoperij; nabestaanden verkopen het geheel dan aan W.A. Mathlener.

Brand in houtzaagmolen de Hoop

Een brand heeft in 1894 grote gevolgen voor zaagmolen De Hoop en betekent het einde van deze molen. Een zwaar onweer trekt over ons land en richt her en der flinke schade aan, ook in Leidschendam en omgeving. Op 25 juli 1894 bericht het Leidsch Dagblad dat op 24 juli de bliksem is ingeslagen in de zaagmolen van de heer Mathlener. Dat betekent het einde van molen De Hoop. De Haagsche Courant meldt overigens dat er sprake is van het afbranden van houtzaagmolen ’De Stier’ bij Leidschendam.

Stoommachine vervangt molen De Hoop Molen De Hoop wordt niet herbouwd. Om bij gebrek aan wind en als vervanging van de afgebrande molen toch te kunnen zagen meldt Mathlener in mei 1897 bij Burgemeester en Wethouders van Veur dat hij - tot het in beweging brengen zijner houtzagerij - een stoommachine wenst te plaatsen bij De Salamander. Op 28 juni 1897 verlenen B&W hem de Hinderwetvergunning; daarin wordt vermeld ‘tot het oprichten eener stoomhoutzagerij’. Voorwaarde is dat de inrichting in werking gebracht moet zijn voor 12 oktober 1897. Dat jaar adverteert hij op zoek te zijn naar een ijzeren schoorsteen; de machine moet dus in dat jaar zijn geplaatst. Vanaf die tijd wordt geadverteerd met ‘stoomhoutzagerij’ van de Firma Gebr. Mathlener en Co. en staat zaagmolen De Salamander er alleen voor.

Bronnen en verdere informatie