De Oude kerk van Voorburg werd in het begin van de 13e eeuw gebouwd op een strandwal, als het hart van het dorp, op een mooie dominerende plek bij de omringende huizen. Met haar toren wees ze de reiziger al van verre het eeuwenoude dorp aan met de gastvrije herberg Swaensteyn. Voor het hiernamaals wees dezelfde toren met zijn hoge spits de aardse reiziger naar omhoog, naar de hemel van waar het zielenheil werd verwacht. Omdat de reformatie iets anders dacht over dit zielenheil, werd in 1575 de oude kerk onttrokken aan de katholieke eredienst en ging over naar de hervormden en hun 'nye leer'. Boven op de piek waakt niet een wakkere haan, maar een onversaagde leeuw over Voorburg. Deze leeuw kwam uit het familiewapen van Paulus van Alckemade en sierde de toren ter herinnering aan zijn 15e-eeuwse voorvader Kerstant. Die had de kerk royaal begiftigd en zo de bouw van de toren mede mogelijk gemaakt. Eind 15e eeuw werd aan de oostzijde het hoge koor aangebouwd. Begin 16e eeuw werd de kerk opnieuw vergroot door verbreding van het schip en de aanbouw van de zijbeuken. In 1705 werd de Coymanskapel met de grafkelder tegen de kerk aangebouwd, aan de kant van de Herenstraat. Zo'n 60 jaar later bouwde men de huidige hoofdingang met zijn eigenzinnige stijl vol gevelornamenten en rijk gesneden deuren. Stenen zandlopers, schedels, engelenvleugels en korenaren wijzen de kerkganger voortdurend op de eindigheid van het leven. De Coymanskapel ziet er uit als een kleine vierkante toren met puntdak die wegschuilt tussen de andere, veel hogere kerkmuren. Tegenwoordig doet de kapel dienst als kerkeraadskamer. De oude boogvormige ingang naar de grafkelder binnen in de kerk werd dichtgemetseld. Een steen met de in blauw arduin uitgehakte familiewapens markeert nog wel de plek in de witgepleisterde muur, waar eertijds deze toegang zich bevond. Door de drie koeienkoppen in dit wapen, werd de kapel al snel omgedoopt tot 'Koemanskamer'.
Een half hek en slechts één pilaar staan nog overeind, dit zijn de restanten van het voormalige Zuyderburgh. De andere helft van het ijzeren hek hangt treurig tegen een boom, wachtend op betere tijden. Of treurt het om de kortzichtigheid waarmee de buitenplaats die er eens achter lag, kort na 1865 moedwillig werd afgebroken? Van het grote buitenhuis staat alleen nog een klein restant van het voorgebouw en een stukje van de linker zijvleugel overeind. Eind 17e eeuw was Zuyderburgh in het bezit van Samuel Timmerman die in 1677 huwde met Eliane Coymans. Een bijzondere band met Voorburg ontstond toen deze familie in 1705 een grafkelder lieten bouwen in de Oude kerk. In deze kelder werden genoemde echtelieden na hun overlijden bijgezet. Na hen volgden andere bewoners van Zuyderburgh, Johan Coymans van Bruchem, zijn vrouw Suzanna Catharina Bouwens en hun achtjarig zoontje dat naar zijn vader was vernoemd. De laatste die in deze Voorburgse grafkelder een eeuwige rustplek kreeg, was Balthasar Coymans, die in 1759 overleed. Hij was ook de laatste mannelijke telg van de familie. Zou de predikant bij de plechtigheid, voorafgaand aan de bijzetting, de traditionele bijbelse tekst hebben uitgesproken: 'Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren'? Veel effect hadden deze woorden aanvankelijk niet. In de eerste helft van de vorige eeuw werd de grafkelder geopend voor enkele leden van de Haagse historische vereniging 'Die Haghe'. Tot hun verbazing zagen zij vijf lichamen liggen die niet waren vergaan, maar als mummies, al meer dan twee eeuwen, hun dodenslaap sliepen. De droge zandgrond onder de Voorburgse kerk werd als verklaring gegeven voor dit mysterie. Waar het zesde lichaam was gebleven, bleef een raadsel.
Degene die misschien wat meer heeft geweten over het hoe en waarom van de mummies, was de medicus Hendrik van Deventer. Dokter Hendrik van Deventer werd in 1651 te Leiden geboren als zoon van een leerhandelaar. Zijn voornemen om goudsmid te worden, moest hij al snel laten varen toen hij besloot Labadist te worden. Deze volgelingen van Jean de Labadie wilden leven als de eerste Christenen, in alle eenvoud en in een gemeenschap waarin ze alles met elkaar deelden. Sieraden pasten niet in een sobere levensstijl, dus veranderde Hendrik zijn plannen. Hij besloot zich, via zelfstudie en praktijk, te gaan bekwamen tot medicus. Enkele spraakmakende genezingen zorgden er voor dat hij beroemd werd. Talloze patiënten en grote hoeveelheden geld stroomden naar Wieuwerd, het Friese plaatsje waar dokter Van Deventer en de Labadisten in hun commune woonden. Volgens de communeregels moest Van Deventer al die inkomsten afdragen aan de gemeenschap. Wellicht vond hij dit een slecht perspectief voor zijn gezin met tien kinderen. In 1692 verliet hij Wieuwerd, promoveerde twee jaar later in Groningen en wilde zich vervolgens in Den Haag als medicus vestigen. Daar werd hij niet echt hartelijk ontvangen. De gevestigde Haagse doktoren vreesden dat zijn roem hun positie zou ondergraven. Zij verzonnen een list: Van Deventer had geen Latijn gestudeerd en kon dus geen bekwaam geneesheer zijn. Van Deventer pareerde de gezapige heren echter met een betere list: hij vestigde zich als arts te Voorburg. Van hieruit verspreidde zijn roem zich zo snel in de wijde omgeving, dat de Haagse bestuurders hem haastig alsnog als medicus erkenden. In 1702 kocht Van Deventer een mooi pand in de Voorburgse Herenstraat, Huize De Poort genaamd, recht tegenover de Oude kerk. Drie jaar later verhuisde hij naar een groter pand aan de zuidzijde van dezelfde Herenstraat, met stallen en een tuin met tuinmanswoning plus speelhuis aan de Vliet. Aan dit buiten gaf hij de naam Sionslust, als eerbetoon en herinnering aan de Labadisten. Die geloofden heilig in de komst van het hemelse Sion, het Jeruzalem, dat God als duizendjarige rijk, op aarde zou laten neerdalen. Op Sionslust hield Van Deventer zich niet alleen bezig met medische adviezen en behandelingen. Hij had hier ook zijn kuipen staan voor het conserveren van huiden. Hier had hij ook alle ruimte voor het bewerken van het leer. Die handigheid had hij ongetwijfeld als kind van zijn vader geleerd. Nu kon hij deze bekwaamheid goed gebruiken bij de vervaardiging van orthopedische hulpmiddelen. Daarnaast werden op Sionslust door Van Deventer ook godsdienstige en medische geschriften gedrukt. Zijn bekendste werk zag hier het levenslicht: een publicatie over verloskunde. De verloskunde was de voor die tijd unieke specialiteit van Van Deventer. In het boek is een gravure opgenomen die de dokter toont op het hoogtepunt van zijn roem. In 1724 overleed Hendrik van Deventer. Hij werd begraven in de Oude kerk, dichtbij de grafkelder waarin later de mummies werden aangetroffen. Zou Van Deventer de hand hebben gehad in deze mummificaties? Dat deze gedachte bij mij opkomt, is niet zo vreemd. Als leermaker en als medicus wist hij veel van conserveringsmethoden. Hoogst opmerkelijk is hierbij, dat in de vorige eeuw ook goed bewaarde lichamen werden aangetroffen in een grafkelder te Wieuwerd. Dit bleken de mummies te zijn van diverse Labadisten, dus van personen uit de commune waarin Van Deventer als arts werkzaam was geweest voordat hij naar Voorburg kwam. Had het zand te Wieuwerd een zelfde verdrogende werking als te Voorburg? Vroeg het geloof van de Labadisten wellicht om een conservering van de overledenen, nu het duizendjarig Rijk zo dichtbij was? Had Van Deventer in Wieuwerd reeds zo'n methode ontdekt en toegepast bij zijn geloofsgenoten? Had hij zijn ontdekking ook gebruikt bij de familie Coymans? Het is niet bekend of de gemummificeerde echtelieden Timmerman-Coymans tijdens hun leven contact hebben gehad met de beroemde medicus. Als Van Deventer een belangrijke rol heeft gespeeld in de grafkelders, moet hij, gezien de latere mummificaties, zijn geheim wel hebben doorgegeven aan een ander. Wellicht heeft hij zijn schoonzoon Hendrik Berlinkhoff, die eveneens medicus was, ingewijd. Toch zou dit laatste niet veel zoden aan de dijk hebben gezet, aangezien deze Hendrik reeds twee jaren na zijn schoonvader overleed. Verder was er ook nog het raadsel rondom Pieter Hogendorp die in 1775 werd begraven in de Oude kerk. Het oude grafboek van de kerk bevat over hem een merkwaardige mededeling. Twee jaar na zijn overlijden bleek bij een nieuwe bijzetting dat de kist van Pieter volledig was vergaan, maar niet het lichaam. De verbaasde familie zorgde ijlings voor een nieuwe doodskist. In 1791 herhaalde deze wonderbaarlijke geschiedenis zich. Dat het lichaam na zestien jaar nog zo goed bewaard was gebleven, werd simpelweg geweten aan de kalkjicht waaraan Pieter had geleden. Een merkwaardige historie bleef het wel. Zo lijkt het er op dat er steeds meer vragen ontstaan dan er antwoorden worden gevonden. Het geheim van de mummies is wellicht met dokter Van Deventer voorgoed verdwenen in de aarde onder de Oude kerk. Zo blijft dit een van de grootste mysteries van het eeuwenoude godshuis aan de Herenstraat.
Historische wandelingen in Voorburg en omgeving : Vorstelijke dieren en andere prentkunst / Kees van der Leer ; met medewerking van Gerard Duijvestein. - Zwollen : Waanders, 2001