Schuitejagers

Uit Toen Leidschendam-Voorburg
Ga naar:navigatie, zoeken
Verlaat in de Leidschen Dam ca. 1760

De schuitenjagers, stichters van Leidschendam?

Maar hoe zit dat dan met de opwinders, de sjouwers, de sluiswachters en de tolgaanders? Wie komt de eer toe het karakter van Leidschendam te hebben bepaald? De ontstaansgeschiedenis van Leidschendam is genoegzaam beschreven. Maar de vraag door wie het toenmalige dorp aan de Vliet nu eigenlijk is gesticht, is nooit beantwoord. Een eenduidig antwoord is wellicht ook niet mogelijk, gezien de veelheid van factoren en personen die tot het ontstaan van een gemeenschap hebben geleid. Individuen of families die bij de ontwikkeling van Leidschendam een doorslaggevende rol hebben gespeeld, zijn er. voor zover bekend, niet of nauwelijks. Wie rond het jaar 1000 de beslissing nam een dijk aan te leggen om het zuidelijk deel van Holland te beschermen tegen het overvloedige water dat door de Oude Rijn werd aangevoerd en via de Vliet richting Delft en omstreken werd gestuwd, is niet meer te achterhalen. Zelfs de vraag wanneer deze dam, die algemeen bekend is geworden onder de naam 'landscheiding', is aangelegd is niet precies te beantwoorden.

Uit een handvest van Graaf Willem II, van 5 oktober 1255, blijkt dat rond 1080 met de aanleg van de dijk is begonnen. Graaf Floris de Vijfde van Holland gaf opdracht het oude Holland door ononderbroken dijken in vijf waterschappen ofwel hoogheemraadschappen te verdelen: Rijnland, Delfland, Schieland, 't Land van der Goude en 't Land van Woerden. leder waterschap had zijn eigen boezem en moest zijn water zeewaarts lozen, zonder een ander waterschap lastig te vallen. Het gedeelte van de landscheiding tussen Leiden en Delft kreeg de naam 'De Leytsche Dam', hoewel het in oude akten ook wordt aangeduid als de 'Dam tot Voorburgh' en de 'Dam achter Voorburgh'.

De landscheiding ter plekke van de 'Leytsche Dam' trok letterlijk een streep door de Vliet als vervoersroute. De dam, die aan haar weerszijden verschillende waterpeilen had, te weten het peil van Rijnland ten noorden en het peil van Delfland ten zuiden ervan, veroorzaakte een volledige blokkering van de doorvaart over de Vliet. Grote schepen werden gedwongen via Gouda en Dordrecht te varen. Vooral de scheepvaart tussen Leiden en Delft ondervond grote hinder van de dam. De Vliet als vaarweg bleef echter in gebruik, doordat schepen hun goederen ter plekke van de dam overlaadden naar schepen gelegen aan de andere kant van de dam. Kleinere schepen konden later over de dam worden getrokken via een aan weerszijden van de dam in het water aflopende rollenbank, een zogeheten overtoom. Het is aannemelijk dat ten gevolge van deze bedrijvigheid de eerste bewoners zich op dit punt aan de Leytsche Dam vestigden.

Het zijn feiten van cruciale betekenis voor de ontwikkeling van Leidschendam en het blijft moeilijk er een groep uit te halen wier aanwezigheid de ontwikkeling van het damgebied heeft mogelijk gemaakt. Maar men denkt dat Leidschendam in de 15-de eeuw is ontstaan door toedoen van de werkers aan 'den Dammen'. 'Met rollen op hellingen werden houten scheepjes met windassen over wat toen al de 'Leytsche Dam' heette gesleept. Het systeem werd bediend door 'opwinders', waarbij de schippers verplicht werden tolgeld
plaquette sluisjes
te betalen aan de 'Damhouder'. Later zijn in de dam ‘verlaten’ aangebracht, 'schutsluisjes’ waar kleine scheepjes mondjesmaat doorheen mochten varen. Dit gebeurde met groot bezwaar van de concurrerende steden Gouda en Dordrecht, die meenden dat hun belangen te veel geschaad werden. Ze gaven opdracht de 'verlaten' in de dam te vernietigen. Een en ander betekende wel, dat de 'opwinders' weer aan het werk moesten.

In de 16e eeuw kwamen er grotere schepen, zogeheten 'damlopers', die niet door de sluisjes konden varen. Deze speciale houten schepen met een platte bodem werden toen via de nieuwe Overtoom over de dam getrokken. Hier werkten sterke mannen die, draaiend aan grote wielen met handspaken, schepen hielpen bij het passeren van de dam.

In 1636 sloten Leiden en Delft een verdrag tot het maken van een nieuwe trekweg langs de Vliet. Het verkeer tussen Leiden en Delft werd hierdoor mogelijk met de trekschuit. Wellicht hebben vele beroemdheden in de 17e eeuw, zoals de schilders Johannes Vermeer en Rembrandt van Rijn, maar ook staatslieden als Johan van Oldenbarneveld en de gebroeders De Wit van deze nieuwe route tussen Delft, Leiden en Amsterdam gebruik gemaakt en aten en dronken zij wat aan 'de Leytsche Dam' tijdens het 'schudden' door de sluizen.

Met het ontstaan van de trekweg ontstond ook een nieuw beroep: 'schuytenjager'. Het 'jagen' van de schuiten hield in dat ze, met behulp van een paard, als trekschuit van de Leytsche Dam naar Delft of Leiden werden gesleept. Deze stoere mannen - opwinders, sjouwers, sluiswachters, tolgaanders en later ook de schuitenjagers - waren feitelijk de stichters van het dorpje aan de Leytsche Dam. Het vaak zware handwerk werd afgewisseld met een bezoek aan de cafeetjes en uitspanningen die de eeuwen door rond de sluis ontstonden. De betekenis van de schuitenjagers nam aan het eind van de 18e eeuw weliswaar af door de komst van de diligence, maar ze bleven tot in de twintigste eeuw rond de sluis actief. Deze rauwe bonken hebben niet alleen een belangrijke bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van zowel Rijnland als Delfland, maar ook in hoge mate het karakter van het latere Leidschendam bepaald.