Seneca Inggersen (BD)

Uit Toen Leidschendam-Voorburg
Ga naar:navigatie, zoeken
Seneca Inggersen, Baron van Geltingen

Inleiding

Met op zijn minst gemengde gevoelens werd in 2002 in Nederland het feit herdacht dat de Verenigde Oost-Indische Compagnie 400 jaar geleden was opgericht. De verhalen van mensen die hun leven hebben gesleten in dienst van die V.O.C. zijn legio. Doorgaans zijn het verhalen over de 'helden' uit onze niet altijd even objectieve geschiedenisboekjes. Iedereen heeft wel ooit gehoord van Jan Pieterszoon Coen, Michiel de Ruyter of Maarten Harperszoon Tromp. Maar dat er ook in Voorburg zo'n figuur zijn laatste rustplaats heeft gevonden is veel minder bekend. En toch is in de oude kerk van Voorburg zo'n man begraven en zijn er nog tastbare herinneringen aan hem overgebleven.

Een pronkvol epitaaf (grafmonument) boven de in rococostijl uitgevoerde uitgangsdeur aan de zuidzijde van de aloude Martinikerk en een bronzen plaquette in de noordkapel van diezelfde dorpskerk verhaalt van een zekere Seneca of Süncke Ingwersen, later Ingersen genoemd, die op 23 maart 1715 in West-Langenhorn bij Bredstedt in Noord-Friesland (toen behorend bij Denemarken en thans bij Duitsland) werd geboren. Deze Süncke Ingwersen stierf als Seneca Ingersen, Baron von Geltingen op 28 december 1786 op zijn landgoed 'Rustenburg' bij de oude Scheveningseweg in Den Haag (op de plek waar nu de tuinen van het Vredespaleis liggen).

Waarom de goede man uiteindelijk in Voorburg begraven werd? Domweg omdat hij dit dorpskerkje een geschikte plaats vond als zijn laatste rustplaats. Echte bindingen met Voorburg had hij dus niet. Wat heeft Voorburg met het vierhonderd-jarig bestaan van de V.O.C. te maken? Dit dus! Een verhaal van één der (hoofd)personen.

Biografie

In de omgeving van Gelting in het huidige Oost-Friesland wordt de naam Seneca Ingersen nog altijd met sympathie uitgesproken en is hij bepaald geen vergeten persoonlijkheid. Er is een molen met de naam 'Charlotte', vernoemd naar de echtgenote van de Baron van Geltingen.

Het slot Gelting in vogelvlucht

Ook het slot dat Seneca Ingersen voor een deel in Hollandse stijl liet verbouwen is nog in volle glorie aanwezig. Dankzij de interesse van mevrouw G. Silberhorn uit Rabenholz/Gelting is een uitgebreide biografie in bewerking gekomen over deze Baron Von Geltingen, die niet als Baron werd geboren maar tot Baron werd gebombardeerd door de Deense koning en in die titel bevestigd door de Duitse keizer zelf.

Lange tijd na zijn dood was er maar weinig over de man bekend. Mevrouw Silberhorn heeft echter een diepgaand onderzoek naar de levensgeschiedenis van Seneca Ingersen ingesteld. Zij heeft daarvoor vele bronnen geraadpleegd en dat niet alleen in het voormalige hertogdom Sleeswijk, maar ook in het Algemeen Rijksarchief van 's-Gravenhage. Vooral bij het raadplegen van oude bronnen die ver na het overlijden van van Seneca Ingersen ontstonden stond zij voor de taak om fictie en werkelijkheid van elkaar te scheiden. De fantasie van schrijvers wil immers nog wel eens op hol slaan, vooral als het een persoonlijkheid betreft die -nog steeds- tot de verbeelding spreekt. Baron von Geltingen is voor velen een verpersoonlijking van de droom van oneindige vrijheid en verwerving van gigantische rijkdom. Zoiets als van krantenjongen tot president van de Verenigde Staten.

Het weinige wat bekend was, werd in de loop van tweehonderd jaren na zijn dood verder verteld, aangevuld en steeds weer herschreven. Wat niet gewenst was, werd weggelaten en hetgeen in de kraam te pas kwam met nog meer fantasie samengesteld. Zo ontstond de legende van Süncke of Sönke Ingwersen alias Seneca Ing(g)ersen, de latere Baron von Geltingen.

BD3 wapenGelting.jpg
Het wapen van Gelting met de gouden ploeg op een veld van azuur, zoals deze ook voorkomt in de kwartieren van het wapen van de Baron van Gelting(en)


Seneca's jonge jaren, vanuit diverse bronnen

Een verwant uit Langerhorn vertelt

Veertien jaar na Seneca's overlijden, zo rond 1800 vertelt een verwant uit Langenhorn over een ruzie die Süncke (zo werd zijn naam in het Langenhornse doopboek opgetekend) tijdens een genoeglijk dansfeest kreeg.


BD4 wapenSchleswig.jpg
BD5 wapenLangenhorn.jpg
Het wapen van Schleswig sinds 1934, gebaseerd op afbeeldingen uit de 10e eeuw (Bron wapenafbeelding: 'Civic Heraldry' van de BNG) Het wapen van Langenhorn, met een beetje fantasie is hier inderdaad een lange hoorn in te zien (Bron wapenafbeelding: 'Civic Heraldry' van de BNG)


Waarschijnlijk ietwat beneveld loopt de ruzie uit op een handgemeen en velt de dan 19-jarige Süncke zijn tegenstander met een fikse vuistslag. Süncke ziet de man bewusteloos op de grond liggen en krijgt het bange vermoeden dat hij hem heeft gedood. Het is dan omstreeks het jaar 1734. Hij verlaat nog diezelfde nacht Langenhorn en vlucht naar Holland. Sünckes familie moet uiteraard een verklaring geven voor zijn plotselinge vertrek.

Wat de baron er zelf over vertelt

Als Seneca in 1777 bij de keizer van Duitsland verzoekt tot verheffing in de (rijks)baronnenstand (Reichsfreiherrnstand), schrijft hij niets over de afloop van de ruzie, die dan al 43 jaar geleden plaatsvond. Integendeel, hij maakt slechts melding van het feit dat hij zijn geluk in den vreemde is gaan zoeken met een aanbeveling aan een zekere Baronesse von Spörcken en dat hij naar Holland gegaan is, maar dat deze aanbeveling voor hem "van weinig nut of voordeel was".

Tussen de familie Von Spörcken en de familie Von Kielmansegg in Sleeswijk (toen het Hertogdom Schleswig behorend bij Denemarken) bestonden door huwelijken nauwe verwantschapsbanden. Het is hoogst waarschijnlijk, dat Süncke banden met deze familie in Sleeswijk had.

Wij kennen het spreekwoord 'er is geen koe zo bont, of er zit een vlekje aan'. Natuurlijk had Seneca zijn verheffing in de rijksbaronnenstand wel kunnen vergeten als hij de ruzie als aanleiding voor zijn vertrek uit Langerhorn had gemeld…

De landvoogd van Bredstedt schrijft ten slotte

De landvoogd van Bredstedt, ene Christian Levsen, schrijft in 1821, dus 35 jaar na Seneca's overlijden, in de "Berichten over het Ambt Bredstedt" over een barbiersgezel uit Langenhorn, die naar Holland trok, als miljonair in zijn geboortestreek kwam, tot baron van Geltingen werd gebombardeerd en zijn familie in Langenhorn ondersteunde.

Tegelijkertijd vertelt hij over telgen uit diverse families in Langenhorn, die daar rond 1600 daar woonachtig waren en 'ledemaatzetters' werden genoemd, lieden die de kunst verstonden om kuren uit te voeren die bij chirurgen en artsen van professie niet wilden lukken…. Zelfs gepromoveerde doctoren, die hen eerst hun praktijken hadden -laten- verbieden, lieten zich door hen behandelen".

Nog een andere bron: van 'ledemaatzetter' tot opperchirurgijn

Weer 23 jaar later, in 1844, bericht ene J.A. Petersen over de barbiersgezel, die al enigermate bedreven is in die bezigheden, zijn meester verlaat en als scheepsjongen naar Batavia zeilt. Barbieren leren hun beroep bij in gilden georganiseerde meesters. De opleiding omvat behalve haarsnijden, het aderlaten en pleisters maken, ook het verkrijgen van kennis van het behandelen van wonden, fracturen en verrekkingen en eindigt dan met de kwalificatie van onderchirurg of barbier. De jaren daarna, na onderricht in anatomie, het behandelen van ziekten en het samenstellen van geneesmiddelen, mag de gezel, na het afleggen van een langdurig meesterexamen, de beroepstitel opperchirurg voeren of zich bovenmeester noemen.

Een chirurgisch handboek uit lang vervlogen tijden

Artsen en chirurgijnen

Artsen zijn voor het werk op zee nauwelijks te gebruiken. Artsen studeren immers aan een universiteit en beschikken over een hoeveelheid theoretische kennis. Hun werkveld is overwegend de wetenschappelijke arbeid.

Chirurgen daarentegen zijn praktijkmensen. Opperchirurgen met twee barbieren behoren tot de standaardbemanning van de schepen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. (VOC). Wie als deskundige op de schepen wil werken, kan op een drievoudig examen bogen. In Amsterdam is een catalogus met 155 examenvragen, die hoofdzakelijk handelen over de behandeling van ongevallen op zee, zoals gecompliceerde fracturen, verbrandingen, schotwonden, maar ook over de aan boord voorkomende ziekten, zoals vlektyfus en ook de toebereiding van geneesmiddelen.

De pastor van Gelting

Hans Nicolai Andreas Jensen, pastor in Gelting van 1831 tot 1845, brengt authentieke gegevens uit het leven van Seneca aan het licht in zijn in 1837 verschenen boek: "De geschiedenis van het kerspel Gelting". Hierin schrijft hij onder meer "van feesten en vermakelijkheden, die op het landgoed Geltingen plaats vonden, weet men nog genoeg te vertellen".

In 1844 geeft hij in zijn boek "Angeln" een aanwijzing naar het in Geltingen verrezen 'Komediehuis'. Aan het eind van de negentiende eeuw werd dit 'Komediehuis' in het geschrift van C.N. Schnittgers onder de titel "Herinnering van een oude Sleeswijkenaar" een theatergebouw met een zaal, een parterre en rijen loges en met 'privé-loges voor de slotheren'. "Wanneer de slotheer zijn balkon betrad, begon de muziek". "Ja, men verhaalde zelfs van een klein kabinet, dat met Deense daalders was bepleisterd". Henning von Rumohr (Drült) neemt -in 1972- veel details over uit het werk van Schnittger, onder meer voor de "Kroniek van het kerspel Gelting". Maar met betrekking tot het Komediehuis weet hij te melden dat het "later afgebroken (werd), en dat er nu niet meer staat dan een voorhuis van dat theater, en dat het van een gewoon boerderijtje nauwelijks is te onderscheiden". Helaas noemt hij niet zijn bronnen.

De vele bronnen op een rijtje

Wat is waarheid? Wat is verzinsel? Hoe kan het geweest zijn? Het is een moeizaam speculeren. Om met Seneca verder te gaan zijn er evenzoveel mogelijkheden.

De bronnen voor deze bijdrage zijn overwegend originele 18e eeuwse handschriften. De belangrijkste geschriften zijn:

  • Het verzoekschrift van Seneca met de vraag om opgenomen te worden in de Baronnenstand, waarbij onder meer zijn levensloop is gevoegd. Het verzoekschrift bevindt zich in het Generaaldirectoraat van het Oostenrijkse Staatsarchief, Algemeen Bestuursarchief in Wenen.
  • Het omvangrijke archief van de Verenigde Oost-Indische Compagnie in het Algemeen Rijksarchief (ARA) te Den Haag. (Bijvoorbeeld: logboeken, manschapslijsten, monsterrollen, (uit)betalingsboeken, brieven en dagboeken van Seneca uit de tijd in Cheribon en brieven van zijn opvolgers, enzovoorts.)
  • Brieven en kranten van de kamerheer en afgezant van de Majesteit van Groot-Brittannië en Kurhannover, Rudolph Ulrich Freiherr von Spörcken uit 's-Gravenhage, in het Nedersaksische Hoofdstaatsarchief van Hannover en Pattensen.
  • Kerkelijke registers van het Kerspel Gelting, Rentambt Kappeln.
  • Brieven, trouwovereenkomsten, testamenten in het archief van de familie Von Spörcken in het stadsarchief van Lüneburg.

Leven en loopbaan

In 1715 geboren als Süncke Ingwersen

In het register van het Kerspel Langenhorn van het jaar 1715 is onder nummer 17 de geboorte van Süncke Ingwersens opgetekend. Hij wordt op 23 maart 1715 als 10e kind geboren. Vader is de paardenhandelaar Paul Ingwersen uit West-Langenhorn, die, zoals destijds gebruikelijk, ook nog een klein landbouwbedrijf runt, dat ter plaatse 'Ökonomie' wordt genoemd.

Sünckes moeder, Cäcilia Lucia Brodersen, stamt uit Leck in Nordfriesland. Zij is de dochter van de op 29 maart 1717 in Leck overleden pastor Diederich Brodersen en Maria Jessen

Pastor of dominee van de Evangelisch-Lutherische Gemeinde, die immers in tegenstelling tot de katholieke pastores mocht huwen. De Evangelisch Lutherse Religie was staatsgodsdienst in Sleeswijk. Er waren geen katholieken in die landstreek. Noot GS en BD.

Süncke is twaalf jaar oud als zijn moeder sterft. Zij wordt op 28 oktober 1727 begraven. In 1728 moet vader zich failliet laten verklaren. De landerijen komen in het bezit van anderen. In december 1729 overlijdt ook de vader. De nog in leven zijnde zes van de dertien zusters worden gescheiden en door familieleden verder verzorgd.

In de volgende jaren begint Süncke een opleiding als barbier of krijgt medisch onderricht bij een familie in Langenhorn. Op 19-jarige leeftijd, het is dan 1734, gaat Süncke naar Holland. In 1777 schrijft hij daarover in zijn levensloop: "Mijn vermogen was niet groter, dan dat van de aartsvader Jacob toen hij over de Jordaan trok".

Met een vermogen niet groter dan dat van de aartsvader Jacob de wijde wereld in

In Rotterdam solliciteert hij "na rijp overleg" met hulp van de arbeidsbemiddelaar Jan Jans, bij de Verenigde Oost-Indische Compagnie voor de Oost-Indiëvaart en wordt als adelborst of als soldaat 1e klasse (Gefreiter) aangenomen. Hij verplicht zich voor vijf jaren dienst tegen een maandloon van ƒ 10,- (ca. 4 Rtl. oftewel Reichsthaler). Dat is één gulden of florijn meer dan een soldaat krijgt. De helft van zijn loon wordt hem pas uitgekeerd zodra hij terug is. De andere helft krijgt hij tweemaal 's jaars in 'Indië', maar niet in baar geld, maar in natura.

Met weinig beginnen…

Nu krijgt hij voor twee maanden handgeld en daarmee is hij verplicht als soldaat gebonden. De arbeidsbemiddelaar behoudt ƒ 150,- voor onderdak, eten en de reisuitrusting, maar pas na twee jaren! Bovendien ontvangt Süncke vóór zijn afreis de zogenoemde 'kist'. De maten zijn 100 cm x 39 cm x 39 cm. In deze teakhouten scheepskist bevinden zich de kleding, een hoofdkussen, een paardendeken en een spanen doos met dingen voor dagelijks gebruik. Het wordt uitgerust met de bij de dienstkleding behorende degen, wapen en patronengordel. Deze kist begeleidt hem de komende jaren.

Daarin heeft hij zijn bezit en kan hij na vijf jaren zijn 'rijkdommen' mee uit Indië nemen, overigens alleen dat wat de Compagnie hem toestaat. Hij legt de eed van trouw af op de wet en het reglement van de V.O.C en ondertekent het contract (Artikelbrief) met: "Seneca Inggersen"

Allegorie op de V.O.C.

Adelborst Seneca Inggersen

Zijn schip, de 'Den Dam', gaat op 25 april 1734 voor de Delftse Kamer met de Oostvloot van Rotterdam naar Batavia (tegenwoordig Jakarta op Java, Indonesië). Kapitein is Cornelius de Ruiter. In de manschaplijsten is hij onder nummer 119 terug te vinden.

Aan boord zijn driehonderd man, waaronder de opperchirurg en een onderchirurg met hulp. Batavia aan de noordkust van Java is het middelpunt van de V.O.C. in Azië, het handels- en bestuurscentrum van de Compagnie. Alle schepen, die van het thuisland komen of naar Europa willen, moeten zich in Batavia verzamelen. Er is geen betere mogelijkheid op controle over vracht en personeel. De vloot bereikt na meer dan zeven maanden Batavia, op 11 december 1734 om precies te zijn.

In de volgende jaren dient Seneca op de schepen van de V.O.C., die regelmatig de binnen-Aziatische route volgen naar de handelsnederzettingen van de Compagnie, zoals Tonquin in China, Bengalen, de factorijen aan de Koromandelkust (Oost-Indische kust), de Malabarkust, de kust ten westen van Indië, Suratte aan de Golf van Cambay (einde van de karavaanweg) en Ceylon (Sri Lanka) "zo, dat ik de evenaar of de equator tot mijn terugkomst in Europa meer dan twaalf maal gepasseerd heb" schrijft Seneca in zijn levensloop. In die tijd werd de handel van de Compagnie ernstig door piraten gehinderd.

Piraterij: een regelrechte plaag

In september 1739, na afloop van 5 dienstjaren, is Seneca weer in Europa. Hij krijgt de rest van zijn loon, monstert opnieuw aan bij de V.O.C. in Amsterdam en wordt aangenomen als opperchirurgijn voor dienst aan boord tegen een gage van ƒ 36,-. Hij koopt met een krediet van zijn broer Chatelaine voor meer dan ƒ 3.000,- "diverse chirurgisch gereetschappen".

Oppermeester Seneca Inggersen

In de manschaplijst van het schip de 'Horstendaal', dat in oktober 1739 naar Batavia gaat, wordt Seneca Inggersen onder nummer 30 'oppermeester' genoemd. Aan hem zijn een onderchirurg en een hulp toegevoegd. Midden 1740 bereikt de 'Horstendaal' het doel Batavia.

Een voorbeeld van een van de vele VOC-schepen, in dit geval de 'Beekvliet'

Bevorderd tot stadsapotheker en onderkoopman

In 1741 is Seneca stadsapotheker in Batavia. Nu telt Seneca Inggersen mee in de top van de V.O.C.-hiërarchie en woont in Kastell. Daar bevindt zich ook de woning van de uit Friedrichstadt (Noord-Friesland) stammende Gouverneur-generaal de hoogste bevelhebber van de Compagnie in Oost-Indië, Johann Thedens (1741-1743). In zijn levensloop schrijft Seneca in 1777: ….en door Gods Voorzienigheid stond ik zodanig in de gratie bij de Gouverneur-generaal Thedens en Mossel, dat hij mij zijn nicht Van Loo, na mijn herhaald aandringen, tot mijn vrouw bestemde."

Op 4 november 1742 vindt de huwelijkssluiting plaats met Adriana van Loo, geboren op 10 januari 1726 in Batavia, dochter van Hendrik van Loo, 'stadsraad' van de V.O.C. te Batavia. Seneca verkrijgt de begeerde titel van 'Onderkoopman'. Nu heeft hij het recht om met producten waarover de V.O.C. het monopolierecht heeft op persoonlijke titel te handelen.

Scheepseigenaar

Tot het monopolie van de Compagnie behoort onder meer de winstdragende handel in opium, die van Bengalen ingevoerd wordt in de Maleisische Archipel.

BD10 VOClogo.jpg
Het logo van de Verenigde Oost-Indische Compagnie

De V.O.C. leed destijds verlies op dit monopolierecht, maar om het niet geheel en al te verliezen mochten hun kooplieden tegen een vergoeding de handel overnemen. Seneca is nu scheepseigenaar. Hij geeft kredietbrieven af aan de Chinese scheepskapiteins en inheemse kooplieden. Zij drijven in zijn opdracht handel tussen de Koromandelkust (Oost-Indië) en de eilanden van het huidige Indonesië.

Tegelijkertijd wordt hem het beheer over de entrepots en de goederenmagazijnen van de Compagnie op twee tot de rede van Batavia behorende eilanden 'Onrust' en 'De Cuiper' overgedragen. Op 'Onrust', het grootste eiland bevinden zich de scheepsbouwwerven voor de handel binnen Azië en de werven voor de reparatie en sloop van de grote retourschepen.

Op 20 december 1750 is Seneca's broer Paul (1717-1792) in Batavia. Paul komt van de Koromandelkust, vermoedelijk uit de Deense kolonie Tranquebar (Tamil Nadu) naar Batavia. Hij is kapitein, maar niet in dienst van de Compagnie. In de personeelslijsten van de Compagnie wordt hij niet genoemd. De nu volgende jaren blijft hij in de nabijheid van zijn broer.

Model van de Batavia (Bron:batavia.gif uit: www.bataviawerf.nl/batavia.htm)

Opperkoopman

In 1751 verkrijgt Seneca Inggersen de rang van Opperkoopman. Hij is afgezant en bestuurder van de Compagnie in Cheribon (Cirebon). Dit vorstendom, ook wel betiteld als koninkrijk, ligt aan de noordkust van Java op 220 km ten oosten van Batavia. Het wordt door vier sultans geregeerd, die voor een vaste jaarlijkse som geld aan de V.O.C. een brede kuststrook met alle eigendoms- handels- en tolrechten overlaten, alsmede de controle over de belangrijkste handelshavens, de wegen en de rivieren, inclusief de daarbij behorende oevers. De stad Cheribon, een van de grootste steden op Java, met meer dan 30.000 inwoners (1763) wordt omschreven als een levendige handelsmetropool. De stad is beroemd om haar diamant- en edelstenenhandelaars en vanwege de wekelijkse slavenmarkt.

Sinds 1406 is Cheribon ook het religieuze centrum van de Islam op Java. Hoog in de bergen, waar het tropische klimaat het beste te verdragen is, bevinden zich de graven van de vorsten in een uit verdiepingen bestaande en met goud versierde tempel, die nu nog een door pelgrims bezocht heiligdom is.

Het zogenoemde Oost-Indiëhuis te Amsterdam, het hoofdkwartier van de V.O.C.

Het is Seneca's opgave om " ….voor een goede verstandhouding tussen de sultans te zorgen". Hij is een onafhankelijke resident, hij heeft alleen de gouverneur-generaal en de raad op Batavia boven zich. 148 Europeanen zijn sinds 1753 in Cheribon in dienst van de V.O.C. werkzaam.

De post van resident van Cheribon geldt als een van de meest winstgevende posten op Java. Seneca is niet op kosten van de Compagnie aangesteld en ontvangt een vast salaris. Hij treedt op als tussenhandelaar tussen de V.O.C. en de inheemse kooplieden. Alleen al door het incasseren van aandelen van de bevolking voor de door de Compagnie opgelegde koffieleveranties ontvangt hij jaarlijks meer dan ƒ 100.000,-. Daarnaast beheert hij zaagmolens, een suikerfabriek met arakbranderij en geeft hij kredieten aan kooplieden en plantagebeheerders. Hij doet dat echter niet alleen om onder het geldende systeem zijn eigen inkomsten veilig te stellen, maar vanzelfsprekend ook om de Compagnie te ondersteunen.

Zijn jaarlijks inkomen wordt door zijn opvolger op minstens ƒ 250.000,- geschat. Daarnaast is nog de privé-handel een belangrijke bron van inkomsten, die hij -hoofdzakelijk met behulp van zijn broer- met inheemse kooplieden en Chinese scheepskapiteins, drijft.

Op 24 maart 1755 sterft Adriana van Loo in de ouderdom van 29 jaar " na haar halve zwangerschap en na een meer dan drie maanden durend lijden aan zware koortsen". Ze laat drie kinderen na: Gertruijda Johanna, op 6 maart 1744 in Batavia geboren; Lucia Theodora, op 9 juni 1752 in Kastell op Cheribon geboren en Adriana Sijbranda, eveneens in Kastell op Cheribon geboren en wel op 22 februari 1754.

Onder deze vlag bevoer de V.O.C. de wereldzeeën

Seneca Inggersen vraagt om ontslag uit de dienst aan de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Op 25 mei 1757 geeft hij de handelsonderneming op Cheribon over aan zijn opvolger. Enige dagen later verlaat hij de haven van de stad aan boord van het retourschip de 'Admiraal de Ruyter' met als doel Batavia.

De 'Admiraal de Ruyter' is beladen met djatibalken (de bomen groeien aan de noordkust van Cheribon), poedersuiker en gepelde rijst. In oktober zijn alle acht schepen van de retourvloot in Batavia bijeen en start het konvooi op de 29ste van die maand met het doel om ongeveer zeven maanden later in de Nederlanden te zijn. Seneca bevindt zich met zijn dochters waarschijnlijk aan boord van de 'Walcheren'. Paul Ingwersen draagt zorg voor het transport van de inboedel naar Europa.

BD14 wapenBatavia.jpg
Het wapen van Batavia, zoals dat nu nog te zien is op de gevel van Hôtel Des Indes in ’s-Gravenhage (Bron wapenafbeelding: 'Civic Heraldry' van de BNG)

Voor alle hiërarchische rangen van de Compagnie bestaan sinds 1717 drastisch aangescherpte bepalingen over de grootte en het aantal zeekisten, alsmede voor wat betreft de soort van de toegelaten goederen, die reizigers op hun retourschip naar Europa mee terug mogen nemen. Het moet vermeden worden de schepen te overladen. Zo wil men ook de particuliere handelsactiviteiten van het personeel tot een minimum terugbrengen, zowel in Azië als in de Nederlanden.

De teakhouten kisten, ook wel 'Cochinkisten' genoemd, worden -naar dienstrang- in vijf verschillende grootten verdeeld. Ze moeten bij een suikerpakhuis in Batavia betrokken worden. Als ze aan de vracht van de schepen worden toegevoegd krijgen de kisten een brandmerkteken met jaartal en worden ze zowel in Batavia als in Nederland op smokkelwaar onderzocht. Het is aan niet-Europeanen verboden de schepen te betreden. Dat geldt ook voor inheemse huwelijkspartners en mestiezen* of kleurlingen.

Mestiezen zijn afstammelingen van Europeanen en kleurlingen. Hier zijn uiteraard de mensen bedoeld die van origine afkomstig waren van een verbintenis tussen een Europeaan en iemand uit de Gordel van Smaragd. Later werd deze term voornamelijk gebruikt voor afstammelingen van Europeanen en Indianen. Het woord is afkomstig uit het Spaanse mestizo dat weer is afgeleid van het Latijnse mixticius, miscere, mixtum = mengen; kleurling met blank of Indiaans bloed. Noot: BD

Slaven moeten voor de terugreis in vrijheid worden gesteld. Inheems geld mag niet naar Europa worden meegenomen. De V.O.C. geeft dan schuldbekentenissen af die in de Nederlanden kunnen worden ingelost.

Onwaarschijnlijk vermogend man

Seneca Inggersen heeft na 24 jaar dienstverband bij de Verenigde Oost-Indische Compagnie recht op ƒ 8.014,-. Daarvan werd hem bij de uitbetaling van de schuldvordering het bedrag van de in 1739 aangekochte chirurgische instrumenten en ƒ 920,- voor de terugreis in mindering gebracht.

Op 12 augustus 1758 schrijft Seneca een brief vanuit Den Haag naar zijn familie in Borsbüll in Noordfriesland. De carrière van Seneca Inggersen in dienst van de Oost-Indische Compagnie is ongewoon. Zijn vermogen, door zijn bekwaamheid als koopman verkregen, was zelfs voor Javaanse begrippen onvoorstelbaar en werd door zijn opvolgers in Cheribon nooit geëvenaard.

Den Haag is in het midden van de 18e eeuw een van de belangrijkste en machtigste Europese steden. Deze prachtige en deftige stad, met zijn welstand en elegante atmosfeer is weliswaar niet de hoofdstad van de Nederlanden, maar wel de zetel van het Nederlandse hof. In Amsterdam zetelen daarentegen de machtige Heeren XVII, het hoofdbestuur van de Verenigde Oost-Indische Compagnie.

Opperkoopman Seneca Inggersen valt ook buiten de Nederlanden op…

Veel Europese en Noord-Afrikaanse staten hebben in Den Haag hun gezanten. De Deense gezant in Den Haag. Frederic-Henri de Cheusses (1753-1769) stuurt een bericht naar Kopenhagen dat "sr. Ingwersens" in Den Haag is aangekomen. Men is geïnteresseerd geraakt en Seneca reist naar Kopenhagen. Hij wordt tweemaal door de Deense koning ontvangen.

BD15 wapenDenemarken.jpg
Rijkswapen van Denemarken (Bron wapenafbeelding: 'Civic Heraldry' van de BNG)

Op 26 september 1759 schrijft de Deense minister van buitenlandse zaken en hoofd van de Duitse Kanselarij in Kopenhagen, Johann Hartwig Ernst Bernstorff aan De Cheusses: "……dank zij datgene, wat u ons over hem heeft gezegd, denk ik, …… is Ingwersen zeer tevreden. Hij heeft de landerijen (de grond) van Geltingen voor 85.000 écu's * verkregen en -naar men mij verzekert- zijn ze 100.000 waard."

BD16 MTtaler1780 1.jpg
BD17 MTtaler1780 2.jpg
Voorbeelden van de European Currency Unit, oftewel ECU, in de vorm van een Maria Theresia-taler uit 1780. De betaalmunten werden voornamelijk gebruikt voor de handel met de Levant.

In de adelstand verheven

Ook zal hij de naam van dit land met de titel van Baron (mogen) dragen.". Het koopverdrag over het in Angeln, hertogdom Sleeswijk*, gelegen landgoed Gelting wordt op 10 november in Kopenhagen en op 21 november 1759 in 's-Gravenhage ondertekend. Maar eerst wordt Seneca in de Deense Baronnenstand verheven en krijgt hij de namen: Seneca Inggersen, Baron von Geltingen.

Tot 1864 werd het Hertogdom Sleeswijk tot Denemarken gerekend, terwijl het Hertogdom Holstein altijd onder de rechtsmacht van de Duitse keizer stond. Beide hertogdommen hadden hun eigen wetgeving, valuta en maten. De grens van Sleeswijk liep toentertijd ter hoogte van het Nordostseekanal naar het noorden tot Kolding.

Het persoonlijke wapen van Seneca Ingersen, Baron von Geltingen, zoals dat bij de officiële adelsbrief werd gevoegd

Daarbij wordt hem een wapen verleend. Ook ontvangt hij van de koning een verklaring, een zogenaamde "vrijheidspatent om de daarbij behorende juwelen en kleding te dragen". Daarmee is hij niet onderworpen aan tol en invoerbelastingen voor luxe goederen.

Landgoedeigenaar op landgoed Gelting

Het huidige slot Geltingen in wintertooi

De overdracht van het landgoed Gelting vindt plaats op 1 mei van het jaar 1760 (Maitag). De koopbrief wordt echter pas bijna twee jaar later, op 11 maart 1762, opgesteld. In 1736 heeft de koning het failliet gegane landgoed Gelting voor 76.750 Reichstaler van Gottfried von Wedderkop verworven. Deze aankoop geschiedt in het raam van nog grotere transacties met het doel van de bezitter tegelijkertijd ook het Amt Steinhorst (Lauenburg) te verwerven.

Gelting moest direct weer worden verkocht. Alle verzoeken van de pachtkamer (Rentekammer) in Kopenhagen mislukken echter. In 1745 worden er plannen gemaakt om afstand te doen van het goed en weer verworpen en in 1751 weer aan de orde gesteld. Het goed wordt opgemeten en in 1752 verkaveld. Men rekent met een extra winst uit de verkoop van gebouwen, inclusief het herenhuis en de inventaris van de hoofdboerderij en de gepachte boerderij (Meierhof)

Voor de boeren en pachters die nog als lijfeigenen leven moeten bijzondere voorwaarden worden gemaakt. De openbare veiling van Gelting vindt plaats op 29 mei 1752 en duurt vier dagen. Er zijn meer dan honderd geïnteresseerde kopers met aanhang gekomen. 3.080 Heitscheffel* van het boerderijgebied worden verkocht.

Heitscheffel, afgekort als Hsch. staat gelijk aan 3.027,4 m². In de landstreek Angln in Nord-Friesland rekent men nu nog met de oppervlaktemaat 'Heitscheffel', waarbij 3 Heitscheffel ongeveer gelijk is aan één hectare

Alleen voor Birk en het eiland Beveroe (880 Hsch.) worden geen kopers gevonden.

Het koopgeld bedraagt 78.359 Reichstaler.

Deze valuta heette 'Reichstaler', doorgaans de 'rijksdaalder volgens de Deense courant': 'Reichstaler dän. Courant' genoemd. De officiële afkorting is 'Rtl.', in die tijd bestaande uit 48 of 96 Schillingen of ook gelijk aan 3 Mark lübisch (Marken uit Lubeck). Deze valuta werden sinds 1571 in de Hertogdommen Hamburg en Lübeck gebruikt.

Voor nieuwbouw en reparaties was er door de 'Rentekammer' al 14.457 Rtl. uitgegeven. Daarbij kwam nog een bedrag van 12.325 Rtl. voor het weer aankopen van koeien als gevolg van veepest. Het resultaat van de veiling krijgt niet het fiat van de 'Rentekammer'. In 1757 mislukt ook een nieuwe verkooppoging. Er worden slechts 80.000 Reichstaler geboden. De in november 1759 tot stand gekomen verkoop aan Seneca Inggersen ontstond dus niet uit zakelijke overwegingen, maar alleen door de sympathie van de koning voor de persoon van Seneca.

Als tegenprestatie hoopt men dat de Baron van Geltingen zich in Kopenhagen zal gaan vestigen, daar zal gaan huwen en "met zijn Indische kop" de regering als adviseur zou dienen, zoals overduidelijk blijkt uit de brieven van Bernstorff. Seneca heeft als goed rekenaar de voordelen van een sloopplan begrepen en wil voor zich het recht laten vastleggen om het goed weer in delen te mogen verkopen. De bevoegdheid tot splitsing in percelen of kavels wordt echter niet in de in 1762 uitgevaardigde koopbrief opgenomen. Hij kan dat echter als heer van het landgoed zonder meer doen.

Aansluitend onderneemt Seneca een reis door Frankrijk en Italië. Het goed Gelting is vanaf augustus 1760 aan Seneca's broer Kapitein Paul Ingwersen (1717-1792) verpacht. Alle rechten van een landgoedheer zijn aan hem overgedragen, inclusief jurisdictie oftewel rechtspraak. Het goed bestaat in die tijd uit een hoofdboerderij met een herenhuis en de pachthoeve Nadelhöft, de drie dorpen Lebek, Stenderup en Suterballig en enkele buiten de dorpen verspreid liggende keuterboerderijtjes. Op het landgoed bevinden zich in 1757 vierhonderdvijfentwintig personen, waarvan 345 lijfeigenen. Paul verstaat de kunst om het goed te leiden en met succes te -laten- bewerken. Zus Lucia (1712-1799) bestiert het huishouden. Broer Paul en zus Lucia zijn beide niet gehuwd.

Eind juni 1761 zeilt Seneca met zijn drie dochters vanuit Den Haag naar Holstein. De beide jongste blijven op Gelting. De oudste dochter reist echter met vader mee naar Kopenhagen.

De terugreis naar Den Haag vindt in 1762 plaats met de koets en gaat over Schleswig naar Hamburg-Kranz, Bremen, Cloppenburg, Lingen en duurt twaalf dagen.

Op 25 mei 1763 huwt Seneca Inggersen, Baron van Geltingen in Den Haag met Charlotte Louise Baronesse von Spörcken (geboren in Den Haag op 29 maart 1733 en overleden in Hamburg in 1816). Zij is de dochter van Rudolph Ulrich Christian Baron von Spörcken (1696-1766), Kamerheer en Gezant van Zijne Koninklijke Majesteit van Groot-Brittannië en Kurhannover. De moeder, Susanne van Slingeland (1703-1737) stamt uit een zeer vermogende, oorspronkelijk in Engeland gevestigde familie. Op dezelfde dag wordt er een dubbelbruiloft gevierd. Seneca's dochter Gertruijda Johanna (1744-1802) huwt met de broer van Charlotte, Simon Friedrich Adolph Baron von Spörcken (1729-1784).

De bruiloft wordt in Den Haag gevierd op Seneca's buitenplaats 'Rustenburg'* in de nabijheid van het 'Tolhek' (de voormalige tol van de Oude Scheveningse weg).

De buitenplaats Rustenburg

Bezittingen in ’s-Gravenhage

De buitenplaats Rustenburg lag bij het begin van de Oude Scheveningsweg, ongeveer op de plek waar nu het Vredespaleis staat. Later in gebruik bij Koningin Anna Paulowna en Koningin Sophie. In 1912/1913 afgebroken om plaats te maken voor het Vredespaleis.

Baron van Geltingen bezit bovendien in het centrum van de stad Den Haag aan de oostzijde van het Noordeinde een groot huis met een wagenschuur, stallen en tuin met een uitrit naar de tegenwoordige druk bereden Kneuterdijk.

Het huis is uitgerust met vier stookplaatsen, een groot vast ingebouwde marmeren tafel, vergulde Venetiaanse spiegels boven de schoorstenen en met goudbrokaten wandbespanningen in diverse kamers. Gertruijda Johanna en haar man, Baron von Spörcken, wonen na de bruiloft tot 1781 op Gelting. In de winter leeft het echtpaar in Schleswig.

Ze hebben hun eigen dienstpersoneel. Koetsier van Baron von Spörcken is Klaus Frölich, over wie heden ten dage nog verhalen de ronde doen in Anglen. Op Gelting leeft ook permanent tot aan haar dood in 1828 de in 1743 in Cheribon geboren Banda Castia, kamenierster van Baron von Geltingen. Zij huwde in 1767, bij de bruid thuis, met de op het landgoed werkzame chirurg Johann Hinrich Ferdinand Cahrel of Carl (geboren in 1734 in Lingen en overleden in 1807). Haar naam luidt na de bruiloft Catharina Cahrel of Carl.

Verdere historische feiten uit het leven van de Baron van Geltingen

  • In 1764 wordt op Gelting Seneca's zoon Christian Friedrich Rudolf (gestorven in 1821) de tweede Baron van Geltingen, geboren.
  • In 1766, twee jaar later, in september, sterft in Den Haag de vader van Charlotte na een langdurige ziekte. In juni is Seneca weer met zijn familie in Den Haag. Rudolph Ulrich, Baron von Spörcken, heeft zijn schoonzoon aangewezen tot executeur-testamentair van zijn omvangrijke nalatenschap. Charlotte is zijn enige dochter naast twee oudere broers. De kinderen erven een groot vermogen aan onroerende goederen, effecten, fondsen en kapitalen in de Nederlanden, in Churhannover, Braunschweig-Lüneburg, Engeland en Nieuw-Engeland (Amerika) en Danzig.
  • Charlotte krijgt onder meer het huis in Den Haag aan de Prinsessegracht, hoek Herengracht, een huis met stallingen en koetshuis, dat sinds de 17e eeuw in het bezit is van haar voorvaderen. Bovendien erft ze een grote boerderij met landerijen in Gouda 'het Klooster' genoemd en in Groningen aan de markt de herberg 'De Groote Toelast' die in de 2e Wereldoorlog werd verwoest. De stichtingsakte wordt op 13 januari 1768 in Den Haag voltooid.

Hier wordt kennelijk gedoeld op het klooster Emmaus in de Steynpolder bij Gouda, waar vanaf 1484 tot 1493 Desiderius Erasmus heeft gewoond. In 1492 ontving Erasmus aldaar bij de Reguliere Kanunniken van de H.Augustinus de priesterwijding. Het zogeheten Emmausklooster in de Steinpolder is in 1549 geheel door brand verwoest. Met de stenen van het afgebrande klooster bouwde men naast het klooster een boerderij, de hofstede 'Kloosterstein', die in 1900 wederom door brand werd verwoest. Charlotte heeft dus kennelijk deze boerderij 'Kloosterstein' geërfd. Op dezelfde plek werd na de brand in 1900 een nieuwe boerderij gebouwd 'Het Klooster' genaamd, die nog steeds bestaat.

Herberg 'De Groote Toelast' op de Grote Markt (nu nummer 19) werd in 1920 omgedoopt tot Café-restaurant 'Prins' en in 1929 verbouwd tot kantoor van de Amsterdamsche Bank. In 1945 werd nagenoeg de gehele Grote Markt door een bombardement verwoest, maar toen bestond de aloude herberg 'De Groote Toelast' allang niet meer. Een 'toelast' is overigens de benaming voor een groot (wijn)vat.

  • In oktober 1768 ontmoet Seneca in Parijs J.H.E. Bernstorff, de Deense minister van buitenlandse zaken, die een treffen met de Franse koning voorbereidt. Kapitein Paul Ingwersen, een rijk man, bouwt in West-Langenhorn een huis voor zichzelf en zijn zuster Lucia.
  • Op 29 april 1770 is er bruiloft op Gelting. Adriana Sybranda (1754-1803), Seneca's derde dochter trouwt met Andreas August von Hobe (1739-1802), Deens Kamerheer en Baljuw van Reinbeck en Trittau. Het feest wordt met grote pracht gevierd en blijft nog lange tijd in de herinnering van de Geltinger onderdanen.
  • Op 14 mei 1772 trouwt in Den Haag Seneca's tweede dochter Lucia Theodora (1752-1818) met Joachim Levin Baron von Meerheim tot Groot Gischow, Groot en Klein Gnemern in Mecklenburg (1742-1802)
  • Op 7 maart 1773 wordt Seneca's dochter Susanna Cecilia (gestorven 1795) in Den Haag geboren en in de Lutherse kerk, de gemeente waartoe de ouders behoren, gedoopt. Peter is onder andere Prins Charles zu Braunschweig Wolfenbüttel. Het goed Gelting wordt voor drie jaren verpacht.
  • In 1775 is Seneca weer op Gelting. Hij leidt als beschermheer van het kerspel Gelting de aldaar wonende gemeenteleden (de "Eingepfarrten"), de bezitters van Buckhagen, Düttebüll, Öhe en Priesholz, in bij het opstelling van de kerkrekening voor de jaren 1772 tot 1774. Omdat de beschermheer verplicht is, jaarlijks een kerkrekening op te maken, zal de Baron van Geltingen zich waarschijnlijk niet in de jaren 1772 tot 1774 in Geltingen hebben opgehouden.

De koning heeft aangemaand tot het opstellen van die kerkrekening. De pachters van het goed Gelting zijn pachtgeld verschuldigd.

Een recente foto van Schloss Geltingen

Verbouwingen 'Hollandse stijl' op het Slot Geltingen

Op Geltingen beginnen na de bruiloft van dochter Adriana Sijbranda de verbouwingen van het herenhuis.

De middenvleugel van de U-vormige aanleg wordt naar achteren verbreed tot de dubbele diepte. De gevel krijgt grote 'Hollandse' schuifvensters met een gemiddelde hoogte van 4,5 tot 5 meter. De timmerwerken worden door Hollandse handwerkslieden vervaardigd. In 1774 komen de gipswerkers Michel Angelo Tadei, Franguili Artari en Johann Baptist Bereta. Pleister- en stucwerk ontstaan in de hal, het trappenhuis en de hoofdruimtes van de middenvleugel, decoraties van de nu in de mode zijnde Rococo en het vroege Classicisme, de mooiste in de grote feestzaal op de eerste verdieping.

BD22 DameRococo.jpg
Zo dosten de dames in de hogere kringen zich uit in de zogenoemde Rococo-tijd (Bron: Dr. Annette Lynch's Costume History - www.uni.edu/lynch/costume-history)

Naast de feestzaal wordt voor de gasten een Rococokamer ingericht, uitgevoerd met wandbekleding in prachtige kleuren en met Javaanse motieven beschilderd, die het 'Chinese Kabinet' wordt genoemd.

Baron van het Heilige Roomse Rijk

In mei 1777 houdt Seneca zich weer in Schleswig in het Geltinger Hof op, aan de Stadtweg 21. Het is dan het huis nummer 28 in het 2e kwartier, vroeger het Kielmaneggsche Hof. Van hieruit richt hij een verzoekschrift aan de Keizerlijke Majesteit in Wenen met de bede tot opname in de Ridderschap van het Heilige Roomse Rijk en om verheffing in de Rijksbaronnenstand en zich 'Reichsfreiherr' te mogen noemen.

BD23 wapenRijkDuitsland.jpg
Wapen van het voormalige Keizerrijk Duitsland, zoals dat sinds 1875 werd gevoerd en door de nazi's werd afgeschaft

Op 1 september krijgt Seneca Inggersen van de Duitse keizer deze titel met het predikaat 'von' voor de naam. Bovendien mag hij een wapen voeren met een in kwartieren verdeeld schild, in het eerste een blauw veld met een gouden ploeg (nu bestanddeel van het wapen van Geltinger Amt), in het tweede en derde rode kwartier een naar rechts springend zilveren paard en in het vierde een rode roos met blad op een veld van zilver. Een soortgelijk wapen was hem al in 1759 door de Deense koning verleend.

Voortekenen van de grote Revolutie

Aan het einde van de jaren zeventig blijven de betalingen van de banken in Batavia aan Seneca uit. De Oost Indische Compagnie lijdt door krijgsverrichtingen met de Engelsen een enorm verlies aan macht en kapitaal. Daarbij komen de opstanden van de inheemse bevolking, in het bijzonder op Java. Dividenden betaalt de Compagnie nu nog alleen uit hun reserves. Daarbij komt dat de regering in Kopenhagen de cijnsheffing voor geleend kapitaal vermindert. In Frankrijk worden de voortekenen voor een revolutie steeds sterker. Seneca heeft veel geld in Franse fondsen geïnvesteerd.

Desalniettemin begint de tuinarchitect van het landgoed, Johann Caspar Bechstedt (1735-1801), met de plannen om de nieuwe tuinen gestalte te geven. In 1776 kan hij met zijn familie in het nieuwe tuinhuis betrekken. Bechstedt moet echter zijn werk afbreken omdat de afgesproken arbeidskrachten het af laten weten en hij het overeen gekomen loon niet krijgt. Het komt in 1780 tot een beklag bij het oppergerecht in Gottorf dat ten gunste van Bechstedt beslist wordt.

  • In 1778 en 1779 bevindt Seneca zich in Den Haag, Paul Ingwersen is nu weer op Gelting. Hij sluit verdragen in naam van de Baron van Geltingen.
  • In 1780 is Seneca weer op Gelting. Hij leidt weer de opstelling van de kerkerekening. De sacristie van de kerk van Geltingen vertoont grote scheuren op diverse plaatsen. Men vreest voor instorting. De beschermheer houdt zich bezig met de kostenramingen voor de afbraak van de gewelfde sacristie inclusief de verlenging van de kerk en het oprichten van een toren aan de westzijde.
  • Al in 1765 heeft Seneca bij een bouwmeester uit Sleeswijk plannen voor de verbouw van de kerk laten voorbewerken. Seneca overweegt de kerk een nieuwe kansel te schenken.
  • In 1781 is het huis in het Noordeinde in het centrum van Den Haag voor drie jaren verhuurd.
  • In 1782 verdeelt de Baron van Geltingen de opdracht tot het opmeten van het landgoed inclusief het 'onderdanenland' Hij beslist samen met de raadsheer Marcus Dröhse zu Brunsholm en Frauenhof, lid van de Landcommissie Gottorf, en met de landinspecteur Schütt te Sleeswijk over 'het vastleggen en verdelen' van het goed Gelting naar de grondslagen van de koninklijke verordening van 4 mei 1779. Het voorlopige verdrag tot de doorvoering van de vastlegging van het goed wordt in mei 1786 in Den Haag met Dröhse en Schütt afgesloten.
  • In 1783 vindt voor de laatste maal voor 1788 een opstelling van de kerkrekening plaats.
  • In 1784 verkoopt een generaal uit Braunschweig-Lüneburg, Georg Ludwig Graf von Kielmansegg, aan Seneca Ingersen, Baron van Geltingen het familiegraf von Kielmansegg in de Dom van Sleeswijk. Daar worden zijn jongste dochter, Susanne Cecilia, in 1795 in Hamburg gestorven en zijn vrouw Charlotte Louise, gestorven in 1816 in Hamburg, bijgezet. Seneca is in de jaren 1784, 1785 en 1786 in Den Haag.
BD24 SchleswigerDom.jpg
'Der Schleswiger Dom' waar Seneca Inggersen een grafkelder aankocht om er zijn jongste dochter Susanne en zijn echtgenote Charlotte bij te laten zetten.
  • In 1786 maakt Seneca, meer dood dan levend zijn testament. Hij brengt de omzetting van de stamhof Gelting onder in een 'fideï-commis', een commissie van vertrouwelingen als onvervreemdbaar erfgoed, en ordent de verkaveling en de invoering van de erfpacht. De onderhorigen verkrijgen de vrijheid en bij wijze van afkoopsom een stuk land.

Baron von Geltingen wordt in de Oude Kerk van Voorburg bijgezet

Seneca Ingersen sterft in de nacht op de 29e december 1786 'tot leedwezen van veel mensen' op zijn bezitting op 'Rustenburg' bij de Oude Scheveningsweg Naar zijn wens wordt hij in de kerk van Voorburg, toentertijd een dorp aan de rand van Den Haag, bijgezet.

BD25 OpritOudeKerk.jpg
De oprit naar de Oude- of Martinikerk te Voorburg. In deze heel wat eenvoudiger kerk wenste Seneca Inggersen, Baron van Geltingen, begraven te worden.

Bij restauratiewerkzaamheden aan het noordelijke deel van de Voorburgse kerk in 1940 ontdekt men het graf van Seneca en in 1965 tot 1967 werd het volledig vrijgelegd. De lengte en de breedte van de grafkelder bedragen 2 meter en de hoogte 1 meter 69.

In de volledig met witte tegels bedekte ruimte bevindt zich een grafkist, die bij aanraken instort. De inhoud is praktisch geheel vergaan. Een koperen plaat geeft duidelijkheid over de identiteit van de dode. Deze plaat is nu aangebracht in de rechter muur van de noordkapel. Tot de bijzetting in de Oude Kerk van Voorburg op 5 november 1787 bevond zijn lijkkist zich in de Lutherse Kerk van Den Haag.

Charlotte laat van marmer een epitaaf en wapen maken, dat boven de barokke uitgangsdeuren binnen de kerk aangebracht werd.

Narede

Wat voor man was Seneca Inggersen, Baron von Geltingen?

De Deense diplomaat De Cheusses beschrijft de Baron van Geltingen als een "zeer beschaafd, oprecht en betrouwbaar' mens." "Hij bemint de gerechtigheid en heeft een goed hart… Wat anderen over hem zeggen, brengt hem niet van zijn stuk."

Maar ook schrijft hij: "Bijna tezelfdertijd zijn velen over hem heen gevallen om hem om geld te vragen en hij heeft zelf veel geld verloren, maar van meerdere mensen noch belastingen of cijnzen, noch kapitaal gezien."

Seneca Ingersen was voorzeker een persoon met leiderscapaciteiten en met de vaardigheden van een moderne manager uitgerust. Men kan hem als een sympathieke man betitelen. Zijn vele tijdverslindende reizen in onhandige koetsen op slechte wegen getuigen van een grote beweeglijkheid.

Hij is levendig en wendbaar en kan zijn kansen benutten. Zijn ondernemersgeest en dadendrang lokte echter ook weerstand uit. De Europese en elegante stad Den Haag met zijn open blik naar de wereld was het middelpunt van zijn leven. In deze stad trof hij gelijkgezinden en vrienden uit de tijd van Oost-Indië. Hier was ook Charlotte thuis.

Over Oost-Indië zegt Seneca in zijn levensloop: "Ik bespeurde daar 'eine heimlich lodernde Liebe', een stil brandend verlangen, naar dit voor mij zo gelukkige werelddeel."

Verantwoording

Bovenstaand verhaal is een bewerkte vertaling van een door mevrouw Gertrud Silberhorn uit Rabenholz-Gelting (Duitsland) op schrift gestelde biografie van Seneca Inggersen, Baron van Geltingen. De biografie is op het moment, dat in Nederland het feit herdacht wordt dat 400 jaar geleden de Verenigde Oost-Indische Compagnie werd opgericht, actueel geworden.

In Voorburg kennen wij immers de Baron van Geltingenlaan, maar wat weten we van deze Seneca Ingersen, Baron van Geltingen, zoals hij voluit heet? Ja de historici weten dat hij in onze Oude- of Martinikerk werd begraven en dat er een grote epitaaf of herdenkingsteken boven de barokke binnendeuren van de kerk is aangebracht. En dat er een bronzen plaat dat ooit op zijn grafkist was geklonken nu in een der muren van de kerk is aangebracht.

Dat de man eigenlijk toen al weinig bekendheid genoot getuigt wel het feit dat de bronsgieter als zijn geboorteplaats Sangen Horn aangeeft in plaats van Langenhorn, een plaatsje in het in Sleeswijk-Holstein gelegen Noordfriesland.

Bliksemcarrière

Het is een verhaal zoals je dat wel kunt lezen van de bekende Amerikaanse krantenjongen die het tot president brengt. In dit geval een Deense jongen, die zijn vaderland ontvlucht en aanmonstert als barbiersgezel aan boord van een van de V.O.C.-schepen. Dat een barbier in die tijd heel wat meer was dan een gewone kapper wordt uit dit verhaal genoegzaam duidelijk. Maar dat hij het tot opperkoopman brengt en schatten geld verdient in de -toen legale- handel in onder meer opium is beslist minder gebruikelijk.

Op het moment dat de V.O.C. al de eerste tekenen van verval begint te vertonen, strijkt Seneca Inggersen neer in een waarlijk vorstelijk buiten 'Rustenburg' genaamd, waar hij beslist niet op zijn lauweren gaat rusten. In dat buiten wordt er de 'Vauxhall' geïntroduceerd. Een gelegenheid voor de betere standen om onder het genot van een drankje wat elegant te dansen in het grote buitenhuis. Later zal de ons welbekende koningin Anna Paulowna er haar intrek namen en sticht ze daar -ze is immers een tsarendochter- een kapel van de Russisch-Orthodoxe Kerk.

De baron van Geltingen is zeker geen leed bespaard gebleven, want hij verliest tijdens zijn leven zijn jongste dochter. Hij laat haar plechtig bijzetten in de nu nog bestaande Dom van Schleswig oftwel Sleeswijk. Ook zijn in 1816 in Hamburg overleden echtgenote Charlotte, gravin von Spörcken wordt daar dan bijgezet in de adellijke grafkelder.

Zelf wenst hij niet zo'n begrafenis, want hij verkiest -krachtens zijn één dag voor zijn overlijden in 1786 opgemaakte testament- een graf in een eenvoudige dorpskerk, de Oude- of Martinikerk van Voorburg.

Nog steeds kan men op het epitaaf lezen dat in deze kerk een voor de meeste Voorburgers volkomen onbekende baron werd begraven. Hij stierf op zijn buitenplaats 'Rustenburg' bij de Oude Scheveningseweg op 29 december 1786. Bijna een jaar later was de met witte tegeltjes bezette grafkelder in de Voorburgse Oude Kerk klaar en werd hij -na nog twee dagen wachten- op 5 november 1787 bijgezet. Het graf zelf is na de diverse restauraties teloor gegaan. Wat resteren zijn de kolossale epitaaf en de bronzen plaquette, die ooit op zijn grafkist was geklonken.

De schrijfster van het in het Duits gestelde verhaal heeft de naam van de Baron op diverse manieren weergegeven. Dan weer heette hij Süncke Ingwersen, dan weer Inggersen, of Ingersen en uiteindelijk Seneca Ingersen, Baron van Gelting(en). Duidelijk is dat het steeds om een en dezelfde flamboyante persoonlijkheid gaat.

Bron

  • Bernard Dijkman (medewerker oud-archief Voorburg, 2002) Een opperkoopman van de Verenigde Oost-indische Compagnie in voorburg begraven oftewel het levensverhaal van Seneca Ingersen baron von Geltingen (1715-1786). Voorburg.