Vaandel van de Schutterij van Voorburg

Uit Toen Leidschendam-Voorburg
Ga naar:navigatie, zoeken
Vaandel van de Schutterij
Het vaandel van de schutterij van Voorburg
Adres
Lokatie ,
Jaartal -
Lees meer
Referentie Ticia van der Haer, Willem Timmermans en Kees Vermeulen
Categorie Object
ELV logo logo rgb-001.png

Een historische vondst.





Werk in uitvoering

Onbekend maakt onbemind

De collectie van het Stadsmuseum Leidschendam-Voorburg bevat een ruim twee eeuwen oude zijden vlag, een vaandel van de Voorburgse schutterij. In 1968, lang voor de fusie met Leidschendam, gaf de Gemeente Voorburg dit kostbare voorwerp in bruikleen aan het museum. Dat heette destijds Swaensteyn met een knipoog naar de aloude 'herberg de Swaen', gelegen aan de overkant van de Herenstraat. Oude zijde is kwetsbaar en verdraagt geen licht. vandaar dat het vaandel al meer dan veertig jaar in een verduisterd depot wordt bewaard. Het gezegde 'onbekend maakt onbemind' is zeker op het vaandel van toepassing. Tot voor kort wist haast niemand van het bestaan van deze summier gedocumenteerde schat. De inventaris van het museum vermeldt het vaandel onder nummer SW 93/260. Maar wat er onder dit inventarisnummer schuil ging, daar heeft decennia lang zich niemand in verdiept. De historicus Mark van Hattem, sinds november 2010 directeur/conservator van het Stadsmuseum, onderkende het belang van dit object. Op zijn initiatief ging in het voorjaar 2011 een driehoofdig onderzoekgroepje aan de slag. Zij kamden inventarissen, archieven en bibliotheken uit om gegevens over en rondom het vaandel te vinden. Feiten en data kwamen boven tafel en achtergrondinformatie werd vergaard. Het onderszoeksgroepje heeft ten eerste het vaandel zelf intensief bestudeerd en in detail gefotografeerd en de onderzoeksgegevens gecombineerd, geanalyseerd en het totale plaatje voor zover mogelijk in kaart gebracht.

Verantwoording en afbakening van het onderzoek

In deze bijdrage is informatie verwerkt afkomstig uit hedendaagse onderzoekgegevens en historische bronnen. Deze tweedeling is niet spijkerhard, maar heeft wel de opbouw van het artikel beïnvloed. Het bestaat uit twee delen die het heden, respectievelijk het verleden behandelen. Elk deel heeft een eigen bronnenlijst en dito doorverwijzingen. 'Van kluis tot depot' (I) is een zakelijk verslag aan de hand van correspondentie uit de periode 1965-2011 met actuele foto's. Hierin staat het wel en wee van het vaandel als historisch object centraal. 'Met vliegende vaandels en slaande trom' (II) gaat uit van twee historische bronnen, een feitelijk krantenartikel en een uiterst subjectief pamflet, die samen gebeurtenissen uit 1787-'88 documenteren. Hier valt op dat 'heden' en 'verleden' betrekkelijke begrippen zijn, want in 1787 was het vaandel gloednieuw. De titel van dit hoofdstuk is ontleend aan een Oudhollands literair beeld van de oorlogshandelingen ten tijde van de Republiek. Dit beeld is hoogstwaarschijnlijk een variant op een couplet uit een oud protestants liedboek - met vliegende vaandels en blinkende zwaarden, met wagens en paarden – en dus goed ingebed bij het protestante deel van de Republiek. Deze frase verwijst hier specifiek naar de politieke strijd en het wapengekletter van patriotten en Orangisten dat in 1787 zijn hoogtepunt bereikte. De hoogoplopende conflicten en de afloop daarvan zijn ingeleid en behandeld vanuit het perspectief van de dorpsgemeenschap Voorburg, geplaatst in een ruimer geografische kader. Het ideologische raamwerk is niet uitputtend behandeld. Daarvoor raadplege men internet sites, naslagwerken en historische uitgaven over de patriottentijd.

Van kluis tot depot

Maten en onderdelen

Het Vaandel van de Schutterij van Voorburg is een vlag van 96,6 bij 96 centimeter, gemaakt van zijde en vastgezet met koperen nagels aan een houten stok. Aan het einde daarvan is een messing punt bevestigd. Aangenomen mag worden dat aan de stok, onder de messing punt, kwastjes hebben gezeten. Zoveel is zeker: de kwastjes hebben de tand des tijds niet overleefd.

Op de keper beschouwd

Het vaandeldoek biedt qua samenstelling en beschilderingen een inkijkje in de mogelijkheden en beperkingen uit het laatste kwart van de achttiende eeuw. De vlag bestaat bijvoorbeeld uit vier gedeelten: twee gelijke delen van 48 cm breed links en rechts. Daaronder is over de volle breedte een strook van 9 cm aangebracht. Deze strook houdt hoogstwaarschijnlijk verband met de breedte van de zijde die ten tijde van de vervaardiging verkrijgbaar was. Aan de hand van de stofbreedte kan een textielexpert meestal de herkomst van de zijde vaststellen, want de breedtematen van de afzonderlijke zijde manufacturen zijn voor insiders te achterhalen. Dit deel van het onderzoek is nog niet afgerond. Aan de losse kant, dus tegenover de stok, is in 1966-'67 een driehoekig stuk van ca. 20 cm toegevoegd ter vervanging van een totaal vergaan stuk van de stof.

Het vaandel is met olieverf aan beide zijden kunstig beschilderd. Omdat het niet mogelijk was om de dunne stof aan twee kanten te beschilderen, zijn er twee lagen zijde ruggelings aan elkaar genaaid, zodat er in totaal acht onderdelen zijn. De zijde is platweefsel (linnenbinding) met 50 draden per cm2. Het dunne doek schijnt door tegen het licht. Daarom zijn de beide beschilderingen gelijk van vorm gemaakt, maar ze verschillen wel van elkaar. Dat zien we op de bijgevoegde foto's van het vaandel.

Het vaandel in handen van museumdirecteur Mark van Hattem

Lay-out van het vaandel

Er zijn ook overeenkomsten, met name wat betreft de wapenschilden, hun doelbewuste rangschikking op de beide doeken. Elke kant van het vaandel heeft twee, bij elkaar behorende wapenschilden die uitdrukking geven aan een formele band. Ieder schild is gevat in een medaillon. Boven deze medaillons bevindt zich een kroon. Dat ze onder een kroon – het embleem van soevereiniteit - zijn geplaatst, beeldt de gevestigde orde uit. Koning of prins maakt niet uit, ideaaltypisch staat de vorst boven allen. Degenen die het vaandel zagen wisten hoe ze de symbolen van het gezag dienden te 'lezen': van boven naar onder en van links naar rechts. Zo'n arrangement was al eeuwenlang bekend en werd mondeling van de ene generatie op de andere doorgegeven. Wapenschilden met motto's of andersoortige teksten en, niet te vergeten, kronen vormen de centrale elementen van de voorstellingen op beide zijden van het vaandel. De overige afbeeldingen, in hoofdzaak krijgsattributen en guirlandes met een bladmotief, zijn karakteristiek voor de achttiende-eeuwse decoratie van alles dat met de oorlogsvoering te maken heeft. De wapendieren - de rode leeuwen die de wapenschilden aan weerszijde flankeren - zijn van oudere datum. De wijze waarop hun koppen afgebeeld zijn - eerder een hond met lange oren, dan een leeuwenkop - suggereert dat de schilder nooit een leeuw in levenden lijve heeft gezien. Hij volstond met het kopiëren van bestaande voorbeelden. Van boven naar beneden zien we de volgende voorwerpen: een rijksappel in blauw en goud op de kroon, aan weerszijden daarnaast, een sponton (halve piek) een musketloop met bajonet, drie verschillend gekleurde vaandels met gouden kwastjes, kanonslopen in goud en twee wapendieren. Omdat het enerzijds gebruikelijk was elk leeg vlak op te vullen, en anderzijds om de politieke kleur van de Voorburgse schutterij te accentueren, heeft de schilder de ruimte tussen de medaillons en de beschreven linten met oranje-appeltjes opgevuld.

Iconografische versus politieke keuzes

Zoals verderop nader uiteengezet wordt, diende dit vaandel ter meerdere glorie en ondersteuning van de Prins van Oranje. Indachtig de hiërarchie in de toenmalige standenmaatschappij, is daarom de kant van het vaandel waarop de vorstelijke wapenschilden staan tot 'kant I' bestempeld. De zijde met de Zuid-Hollandse wapenschilden is dus 'kant II'. Deze nummering wijkt af van een besluit van het Gemeentebestuur met betrekking tot de restauratie van het vaandel. Voor de keuze gesteld welke kant prioriteit diende te krijgen, kwam een voor de hand liggende beslissing tot stand: de kant met de tekst 'de Schutterij van Voorburg'. Een toelichting op dit besluit is niet gevonden, maar het ligt in de verwachting dat de historische identiteit van Voorburg zwaarder woog dan het overbekende wapen van het huis van Oranje.

Beschrijving in detail

vaandel, kant I
Op kant I bevinden zich de wapens van [Willem V] en zijn gemalin [Wilhelmina van Pruisen], ieder in een eigen medaillon. Ze zijn verbonden door middel van een kroon. Onder de wapenschilden is een lint te zien waarop de lijfspreuk van de Oranjes geschreven staat: JE MAINTIENDRAY.

Rondom het medaillon van Willem V is een lichtblauw lint geschilderd met daarop de zinspreuk van de Britse Orde van de Kousenband: HONY SOIT QUI MAL Y PENSE (‘Wee hem die er kwaad van denkt’). Hollanders werden ook geridderd. Als eerste Willem van Holland, de latere graaf Willem IV van Holland, in 1390. Nadien werden benoemd de prinsen Maurits (1612), Frederik-Hendrik (1627) en prins Willem II van Oranje in 1645. Na koning Willem III, die in 1653 werd geridderd, tot op de dag van vandaag zijn allen die aan het hoofd staan van het Huis van Oranje lid van deze orde.

vaandel, kant II
Op kant II van het vaandel staat heraldisch rechts (voor de toeschouwer links) het stadswapen van Delft. Te weten, een gekroond wapenschild in wit met door het midden een verticale strook (een zogenaamde paal) in zwart, met golfjes in wit. Dit is een symbolische weergave van de Oude Delft. Heraldisch links (rechts voor de toeschouwer) staat het wapen van het dorp en de [ambachtsheerlijkheid] Voorburg. Die positie formaliseert de gezagsverhoudingen in 1787. Sinds 1615 was het stadsbestuur van Delft namelijk de [ambachtsheer] van Voorburg en oefende bepaalde rechten uit. In 1825 kocht Voorburg die rechten af. Het wapen van Voorburg bestaat eveneens uit een gekroond schild in wit. Daarop bevindt zich een gekanteelde burcht in rood. Tot aan de fusie met Leidschendam in 2002 heeft de Gemeente Voorburg dit wapen gebruikt. Op het vaandel, recht onder de twee wapens, staat geschilderd: DE SCHUTTERY VAN VOORBURG Ao … Het jaartal stond op een stuk van het vaandel dat geheel verteerd bleek te zijn.

Om de aandacht nogmaals te vestigen op de politieke kleur van de Voorburgse schutterij heeft de schilder tussen de medaillons aan beide zijden appeltjes van Oranje verwerkt.

Herkomst

Frontpagina van Voorburghs Korte Gedenkzuil

Het vaandel van de Voorburgse schutterij bevond zich in 1965 in de kluis van het Raadhuis aan de Herenstraat. Het verkeerde toen in zeer slechte staat. Na de conservering en restauratie werd het aan het Museum Swaensteyn overgedragen. Ondanks het niet meer aanwezige jaartal achter de letters Ao op het lint, moet het zijn vervaardigd in het najaar van 1787, ter gelegenheid van de heroprichting van de Voorburgse schutterij. Deze vlag is dus ruim tweehonderd jaar oud. Het vaandel wordt vermeld in Voorburghs Korte Gedenkzuil, een geschrift uit 1789 van de hand van de oprichter van de schutterij, Cornelis Siliakus. De schilder die het vaandel heeft gemaakt heette Cornelis Munts. Munts was tevens schepen (wethouder) van Voorburg.


Bij zorgvuldige bestudering van het vaandel valt op dat er nog onverklaarde verschillen in de uitwerking van details voorkomen. Zo is de heraldische linkerzijde van kant I gedeeltelijk in bruin uitgevoerd waar elders blauw werd gebruikt. Dat blauw is onsystematisch aangebracht. In het naamlint van kant II wijkt het woord SCHUTTERY af van de rest van de tekst. Het lijkt er op dat er eerder een ander woord heeft gestaan. Een textielexpert bekeek dit lint onder een blauwe lamp. Dat onderzoek leverde echter niets op. Het doek is in 1965 ter restauratie gebracht bij een bedrijf dat gespecialiseerd was in conservering en herstel van oude vaandels en wandtapijten. Dat was de *'Werkplaats tot Herstel van Antiek Textiel' in Haarlem (nu: Paswerk Textielrestauratie te Cruquius). Bij de restauratie is kant I met thermoplastische lijm bewerkt om er een ragdun steunweefsel aan te kunnen bevestigen (vermoedelijk Tergal) en is het doek geïmpregneerd. Helaas is gebleken dat de lijm op den duur niet stabiel is gebleven, zodat het vaandel er nu vlekkerig uitziet.

Met vliegende vaandels en slaande trom

Geschiedenis van de schutterij

Bij het woord ‘schutterij’ kan aan verschillende dingen worden gedacht. Aan hedendaagse schuttersverenigingen, of aan schuttersgilden, burgervendels en schutterijen uit het verleden. Deze vier termen kunnen gelden als handvatten voor een korte geschiedenis van de schutterijen binnen het huidige Nederlands grondgebied. Tegenwoordig bloeien de schuttersverenigingen vooral in Brabant en Limburg, provincies die in de zeventiende en de achttiende eeuw in grote lijnen overeenkwamen met de 'Landen van Maas en Overmaas', of te wel Staats-Brabant en Staats-Limburg. Decennia na het begin van de Opstand (de Tachtigjarige Oorlog) veroverden de Staatse legers deze landen op hun vijanden, de Spanjaarden. Vervolgens werden zij rechtstreeks bestuurd door de Staten-Generaal, dus vanuit Den Haag. Hun status was tweederangs en, in contrast met de uitgesproken protestante signatuur van de Republiek der Zeven Provinciën, bleven ze rooms-katholiek. In de dominante ideologie van de Republiek stond dat gelijk aan onbetrouwbaarheid. Daar het dragen van, en oefenen met wapens overal onder de 'binnenlandse' veiligheid viel, waren katholieke schuttersgilden vanaf de Vrede van Munster in (1648) tot aan de Franse tijd (1795) formeel verboden. Dat wil overigens niet zeggen dat dit verbod op lokaal niveau altijd gehandhaafd werd. Qua godsdienst, rituelen en tradities zijn de tegenwoordige schuttersverenigingen uit het zuiden des lands te beschouwen als een voortzetting van hun middeleeuwse voorlopers.

Ontstaan en taken

De schuttersgilden danken hun ontstaan aan de vraag van de stedelijke overheid - de baljuw en de schout - naar weerbare mannen. De gilden stammen uit de late Middeleeuwen, een tijdperk van opkomst en groei van de steden, toen de Reformatie nog ver buiten ieders horizon lag. De katholieke kerk was stevig ingebed in de gemeenschap en het gildewezen speelde een toonaangevende rol binnen de stad. Gelijk elk gilde, hadden ook de schuttersgilden een altaar in de plaatselijke kerk. Daar prijkte een beeld of schilderij van de uitverkoren beschermheilige. Ter gelegenheid van zijn (of haar) naamdag was er een processie met kerkelijke rituelen. Zo was St. Sebastiaan bijvoorbeeld de schutspatroon en naamgever van het gilde der handboogschutters, zoals St. Joris bij de voetboogschutters. Bij de invoering van de 'klover', (een soort musket, ook wel 'bus' of ‘donderbus’genoemd), rond het midden van de zestiende eeuw werd de aartsengel Michaël de patroonheilige van de kloveniers. St Michael, de zielenweger en wapendrager. In het dagelijks leven beschermden de schutters wallen, stadspoorten en het stadhuis , de zetel van de Magistraat. Tevens waren zij belast met het handhaven van de openbare orde. Daarnaast bestond er de zogenoemde 'heervaart'. Die hield in dat in oorlogstijd de landsheer een beroep kon doen op de schuttersgilden om zijn voetvolk aan te vullen. Om deze taken naar behoren te kunnen uitoefenen was een geregelde training noodzakelijk. Van oudsher oefenden de schutters voor de veiligheid op een afgeschermde plaats, 'Doele’ of ‘Doelen' genaamd. Deze term ging over op het bijbehorende wachthuisje, de plaats waar de schutters zich dienden te melden bij het begin van hun dienst en waar zij konden eten en zich misschien konden warmen aan een vuur. Op den duur groeide zo'n wachthuisje vaak uit tot een verenigingsgebouw waarin gegeten, gedronken en vergaderd werd.

Trouw en gehoorzaamheid

Om lid van een gilde te kunnen worden moest een middeleeuwer als burger ingeschreven zijn in een bepaalde stad. Ook in latere eeuwen was dat het geval. Waar de loyaliteit van ambachtslieden, zoals bakkers, schoenmakers, en schilders jegens het stadsbestuur geen noemenswaardige rol speelde, was die in geval van gewapende mannen cruciaal. De schutter was dan ook verplicht een eed van trouw en gehoorzaamheid af leggen ten overstaan van de baljuw, schout en schepenen. Overigens diende de potentiële schutter een vermogen of beroep te hebben om in zijn eigen uitrusting te kunnen voorzien. Een handboog of een voetboog (ook kruisboog genoemd) was een kostbaar bezit. De aanschaf van een voetboog was verreweg het duurst van de twee. Tot na het begin van de Opstand (1568-1648), de vrijheidsoorlog die gevoerd werd onder het vaandel van het protestantisme, bleven de schuttersgilden werkzaam. De nieuwe protestante leiders, die een gevaar zagen in de verbondenheid van schuttersgilden en rooms-katholieke clerus, schaften de schutterijen rond 1580 af. Dat was slechts tijdelijk, want tijdens de Republiek was de stedelijke bestuursmacht eveneens zwak. De verdediging van gewesten en steden was een zaak van de Staatse legers. Die stonden onder het opperbevel van de opeenvolgende stadhouders, de prinsen van Oranje.

De Republiek

Ten tijde van de Republiek had elke burger een 'weerplicht', een verre voorloper van de algemene dienstplicht. Om aan deze plicht te voldoen ontstonden stedelijke schutterijen die burgervendels werden genoemd. Elk vendel was belast met het handhaven van de orde in de eigen wijk. De officieren kwamen uit welgestelde regentenkringen. Dat is te zien aan de kleding op de schutterstukken uit de Gouden Eeuw, groepsportretten van officieren, zoals geschilderd door Frans Hals en Rembrandt. Het beroemdste schilderij in dit genre is Rembrandt's 'Nachtwacht', dat officieel ‘De compagnie van kapitein Frans Banning Cocq en luitenant Willem van Ruytenburgh’ heet. Jaarlijks trekt dit schuttersstuk miljoenen bezoekers uit binnen- en buitenland naar het Rijksmuseum. Hoewel er in de tijd van de Republiek een aantal ‘stadhouderloze tijdperken’ was geweest, werd de schutterij altijd betrokken bij bezoeken van ‘sijne doorluchtige Hoogheijt den Here Erfstadhouder’, aan de steden in den lande. De lokale schutterij exerceerde bij zo'n ontvangst en droeg zorg voor een erewacht. Iedereen was fraai gekleed. Bij aankomst en vertrek van de hoge gast, en tijdens het bezoek aan het gemeentehuis, werd het schuttersvaandel met trots gepresenteerd.

Het platteland

In tegenstelling tot de steden hadden plattelandsdistricten, zoals het Ambacht Voorburg, geen wallen of poorten en waren ze dun bevolkt. Net als in de steden was ook in dorpen 's-nachts de veiligheid in het geding. Voor de bewaking daarvan waren er klapwachten aangesteld. Hun taak was waken, wachthouden, rondgaan met de klap: een houten instrumentje dat een luide tik gaf als je er mee zwaaide. Iets roepen moesten ze ook. Dat hoorde men binnenshuis en dat gaf rust in het donker. De bewapening van deze kleppermannen bestond uit een halve piek (sponton) en een sabel. De oudst bewaarde schriftelijke bron over het bestaan van een klapwacht in Voorburg dateert uit 1711. In 1767 waren het er twee: Claas Ammerlaan en Willem van der Plaat. Zij kregen toen van de schout kledinggeld voor het kopen van twee nachtjassen. In 1786 werd een burgerwacht samengesteld met 7 man per nacht in dienst en met twee korporaals, die moesten waken van tien uur ’s avonds tot vijf uur in de morgen. Bij onraad werd de schutterij te hulp geroepen.

Voor- en naspel

Een klein aantal regentenfamilies bestuurden destijds de steden en het land. Daartegen kwam verzet van de kant van teleurgestelde personen die bij functies buiten de boot vielen. Er ontstond een groep ontevredenen die zich de ware vaderlanders, ofwel ‘Patriotten’ noemden. Een baron uit Overijssel, Joan Derck van der Capellen tot den Pol, schreef in 1781 een pamflet dat tot democratischer toestanden opriep, maar ook tot gewapend verzet tegen overheersing. Hij schreef: ‘Wapent U allen, verkiest zelf degenen die U bevelen en gaat in alles met kalmte en bescheidenheid te werk’. Er werden patriottische ‘Vrijcorpsen’ opgericht die met wapens gingen oefenen. De Stadhouder was intussen van Den Haag naar Nijmegen uitgeweken. De prinsgezinden, ofwel ‘Orangisten’, waren tegen deze ontwikkelingen. Het land was verdeeld. Sommige plaatsen waren patriottisch, andere niet.

Baron Joan Derck van der Capellen tot den Pol

Door de groeiende macht van de patriottische beweging en de geleidelijke inperking van de macht van de stadhouder door de Staten werd het hem in Den Haag te warm onder de voeten en week hij in 1785 uit naar Nijmegen. Zijn vrouw Wilhelmina besloot in het jaar daarna terug te keren naar Den Haag in de hoop om daar een volksverzet tegen de patriottische regenten te verwekken, maar werd tegengehouden door de patriotten bij de Goejanverwellesluis in de buurt van Gouda. Mede door die vernedering wist ze haar broer, Friedrich Wilhelm, koning van Pruisen, te bewegen tot militair ingrijpen. In het kielzog van het Pruisisch leger keerde Willem V terug naar Den Haag. De patriotten dolven het onderspit en de prinsgezinden kregen het tij mee, met als gevolg dat de schutterijen weer actief werden.

Heroprichting van de schutterij van Voorburg

In de voorafgaande periode waren er in Veur en in Stompwijk al excercitiegezelschappen opgericht en hoewel men in Voorburg sterk oranjegezind was, richtten patriotten daar in 1786 een vrijcorps op met de naam "Rust en Vrijheid Beschermen Wij". De predikant Wybo Fijnje uit Delft was een belangrijke figuur in de patriotse beweging. In Voorburg behoorde de in 1765 te Delft geboren Jan van Steensel tot de strijdlustige patriotten. Jan, een zoon van Zeeger van Steensel die eerst een mouterij in Delft had en vervolgens herbergier werd van van onder meer De Swaen, was de aanvoerder van het lokale Patriotse vrijcorps. Na de omwenteling van 1787 vluchtte hij naar Vlaanderen, trouwde een jaar later met de dochter van de Stadhouder van het Land van Waes. Rond 1792 was hij weer terug in zijn geboortestad Delft en exploiteerde daar een branderij.

De schout van Voorburg was mr. Hermanus Johannes van Roijen. Uit Voorburghs Korte Gedenkzuil blijkt dat deze schout uit naam van de burgerij in 1787 aan een oranjegezind schuttersgezelschap een vaandel aanbiedt. Dit zal het vaandel in het Stadsmuseum zijn.

Cornelis Siliakus, bewoner van een Voorburgse boerderij met de veelzeggende naam Oranjelust (op de plaats van de huidige Algemene Begraafplaats, tussen de Einddorpstraat en het verlengde van het Wielemakersslop ) was een fanatieke aanhanger van de stadhouder. Hij vond het al eerder tijd voor een tegengeluid richting de patriotten en stampte daarom in september 1786 een Oranjecorps uit de grond met de naam "Een Burgerzin met Trouw Gepaard, geeft Zegen, Vrede op dees Aard". Het corps deed drie keer per week militaire oefeningen in de schuur bij Siliakus’ huis. Dit ging goed totdat het corps na rellen tussen de concurrerende corpsen door schout van Roijen werd opgeheven om nog meer oproer te voorkomen. Siliakus liet het hier niet bij zitten en richtte in plaats van een Oranjecorps nu een "Oranje Sociëteijt" op, daarin gesteund door de dichter Willem Bilderdijk. Op 20 augustus 1787, dus nog net tijdens een periode waarin de patriotten de overhand hadden, werden de leden van de Oranjesociëteit gedwongen ook die vereniging te ontbinden. Siliakus was hier woedend over, maar had intussen de benen genomen. Hij ontkwam daarmee aan de jacht die de “Kezen” waren begonnen op alles wat oranjegezind was, waarbij ook huisraad en bezittingen niet werden ontzien. Men zocht naar wapens, en ofschoon er niet veel gevonden werden, kunnen we aannemen dat vrijwel alles wat met het Oranjecorps en de latere Oranjesociëteit te maken had, werd vernield of gestolen. Echter, na de inval van de Pruisen in september van dat zelfde jaar 1787 keerde het politiek tij weer. De “Kezen” werden verjaagd, en de Oranjesociëteit werd feestelijk heropend. De volgende dag trokken de Voorburgse Oranjemannen naar Veur en de Leidschendam waar het burgercorps van Prijn werd aangevallen. Wapens, kogels en een vaandel werden buitgemaakt. Die middag kwam de Prins van Oranje door Voorburg op weg naar Den Haag en konden de oranjeklanten hun held toejuichen.

Enige dagen later, op 24 september 1787 ontving het gemeentebestuur een schrijven van Gecommitteerde Raden “dat alle genootschappen van wapenhandel op het platteland zijn gedissolveerd en ontwapend”. Dit werd het einde van het patriottische corps “Rust en Vrijheid Beschermen Wij”. Maar het werd niet toegepast op de Oranjeklanten, want toen het bericht kwam dat de Prinses naar Den Haag zou komen stond de schutterij van Voorburg al opgesteld langs het Oosteinde. De Prins kwam zijn gemalin tegemoet, en toen de hoge bezoeker hier aankwam, presenteerden de schutters het vaandel, vrolijk speelde de muziek, en jonge meisjes strooiden bloemen.

In de Nieuwe Nederlandse Jaarboeken, VI dl.,Amsterdam, 1813-'14, geredigeerd door Martinus Stuart, dl. VI, Amsterdam 1814, p. 5277 is het volgende te lezen:

Een geregelde Schuttery opgericht in Voorburg, october 1787

Alhier is op verzoek der Burgerij en Leden der Oprechte Vaderlandsche Societeit door Burgemeesteren der Stad Delft als Ambachtheeren van Voorburg een geregelde Schuttery opgericht bestaande uit Leden der Oprechte Vaderlandsche Societeit, tot Collonel is verkoren den Heer Mr. H.J. van Royen, Raad in de Vroedschap der Stad Delft, Schout van den Dorpe en Ambachte van Voorburg, woonende te Delft, en tot dienstdoende Collonel F. van Ruyven, Gaarder van 's Lands gemeene Middelen; tot Kapiteins J.van Dort, W. Nieuwenhuizen, C. Siliakus, P. van Santen, W. van Ettinger en J. Donker; tot Luitenants A. Hakman, T. Schombart, B. van der Heyde, H. Egli, As. van Sette en Cs. Munts; tot Vaandrig B.A. van Ruyven

De Heeren moeten bij gelegenheden trots het Vaandel van de Schuttery van Voorburg hebben gepresenteerd.

Bronnen

Amsenga, Judith, 'Het Nederlandse gildewezen', Historisch Nieuwsblad, 2006, 6.

Dossier inzake een restauratie van het vaandel van de Schutterij van Voorburg (briefwisseling tussen de Gemeente Voorburg, de Stichting Werkplaats tot herstel van antieke textiel en de Rijksinspectie van de Roerende Monumenten) , 1 omslag, 1965,inventarisno. 912; no. 65, Gemeente archief Leidschendam-Voorburg, .

Siliacus, C., Voorburghs Korte Gedenkzuil, Rotterdam, 1789.