Vaar er wel bij!

Uit Toen Leidschendam-Voorburg
Ga naar:navigatie, zoeken
Proost!

Mijn naam is Floris Bom. Een weekend per jaar gaan de graven open en komen de monumenten open en bloot naar buiten. Ik ben er daar een van. Een heel jaar nuchter gebleven, dus eerst even een jenevertje. Dat is medicijn, hè, tegen de jicht. Het kan koud optrekken zo’n graf en nat ook zo aan het water. Puur Nederlands product, jenever. Uitgevonden door de Nederlandse arts Franciscus de le Boë Sylvius. Lange leve de geneeskunde! Niet dan?! Proost. Ja, het werkt, de jicht zakt al weg.

Waar waren we? Monument. Dat ben ik. Kijk, als ik zo ga staan. Wat zie je dan? Het beeld van een trekschuitschipper, natuurlijk. Toch? Hier, kijk dan. Zijn dit zeebenen? Nee. Zijn dit landlopers? Nee, dit zijn trekschuitkuiten! Ik ben een van de eerste schippers op de trekvaart tussen Leiden en Delft. Ik vier trouwens vandaag mijn vierhonderdste verjaardag. Misschien even zingen met z’n allen voor ome Floris?

Dank je wel, dank je wel. Dat is wel een traktatie waard, nietwaar? Proost. Ik zie er nog goed uit voor mijn 400e nietwaar? Dat komt omdat ik het altijd rustig aan heb gedaan. 7 kilometer per uur, meer moet je niet willen. Zo hard als een paard een schuit kan trekken. Harder heeft de Heer nooit gewild. En van groot belang: om de zoveel tijd aanleggen.

Dat was zo mooi van hier, hè. Van de dam. De Leidsche dam. Man, man, man, wat een dam! Nou ja, er heeft wat bloed gevloeid hoor, hier, waar jullie nu staan. Kijk, die dam is aangelegd ver voor mijn tijd, zo rond 1300. Om te zorgen dat ze in Delft droge voeten zouden houden. Dat lukte prima. Maar dat betekende wel dat ze niet meer door konden varen toen ze later bedachten dat een directe verbinding via het water tussen Delft en Leiden wel handig zou zijn. Hé, bots bots, krijg nou wat, een dam! Zie je het voor je? Foutje!

Voor Delft dan. Want Gouda voer er wel bij. Qua varen. Poen, hè, altijd weer poen. De schepen van Delft naar Leiden moesten namelijk omvaren via Gouda. En die hadden daar een gelddammetje opgeworpen. Tol. Alle schepen die daar langs wilden moesten geld betalen. Dat leverde dus goud op. Goud-a, snap je? Dus toen hierzo de sluizen bijna klaar waren, zodat schepen gewoon konden doorvaren, toen werden er vierhonderd Gouwenaren geronseld om die sluizen te vernielen. Dat werd me een slachtpartij! Het bestuur van Gouda waste de handen in onschuld, zei dat ze er niks mee te maken had, dat die knokploeg uit vrijwilligers bestond. Ze werden alleen wel betaald door Gouda. Komt je dat bekend voor? Als je lang genoeg leeft, komt alles weer een keer langs. Of meerdere keren. Leeglopers, zwervers en uitgeprocedeerde boosdoeners, dat waren het, die graag een zakcentje verdienden. Meer zeg ik niet. Die Goudse pijpenraggers met hun stroopwaffels.

Poen, hè, altijd weer poen.

Afijn, een paar eeuwen later is dat bijgelegd onder het genot van een… brokje kaas zullen we maar zeggen. En toen is het jaagpad aangelegd tussen Leiden en Leidschendam. Daar konden de paarden lopen die de trekschuiten trokken. Tenminste als je geen ruzie had met je vrouw, waren het paarden die de trekschuiten trokken. Ja, ik had een vurig wijf! Had ik me misdragen… Nou, ja, misdragen, ze was gewoon wat overgevoelig, mijn vrouw. Voorbeeld: er reisde eens een Engelse dame met mijn trekschuit mee. Zo’n fijne dame, weet je wel. De banken in mijn schuit waren hard, zeker als je gewend was aan kussens. Give me a cushion, zei ze. Ik verstond: Geef me een kusje. Dus ik geef haar een stevige zoen plat op de mond. Zegt zij: niet voor mijn mond, maar voor mijn kont. Nou ja, dus ik… mijn vrouw zag dat en toen kon ik een dag lang het werk van het paard overnemen. Ga jij maar trekken, zei ze. Maar fantastisch wijf, hoor. Ze heeft me vijftien kinderen geschonken. Nou ja, geschonken… zeven ervan stierven voor hun vierde jaar. Triest, maar ja, toch gewoon doorvaren. Er was een vaste dienstregeling. En o wee als je te laat kwam. Ieder kwartier dat je te laat aankwam, kreeg je 24 stuivers boete. Kom daar nog maar eens om, vandaag de dag!

Maar goed, we waren bij de dam. En ja, ieder nadeel heb zijn voordeel. Want door die dam, moesten schepen hier overgeladen worden: alle spullen eruit, over de dam dragen en weer inladen. En de passagiers van de trekschuiten moesten hier overstappen. Het was hier een drukte van belang. Reken maar uit: per dag 16 trekschuiten met zo’n 24 passagiers heen en evenzoveel terug. Dat tikt aardig aan. Dus wat kreeg je? Stallen voor de paarden en woningen, en die bewoners moesten eten en hadden dingen nodig. Dus kwamen er kooplieden, touwslagers, kruideniers en… Logementen. Waar je kon eten en drinken en slapen als je al een hele dag gereisd had. Met vertier natuurlijk. Daarzo bij Logement ’t Eiland was een theater. O, ja, dat is nu een kerk. Ook theater, niet dan? Geintje. Proost.

En om huizen te bouwen en meubels heb je hout nodig. Dat je moet zagen. En dat ga je natuurlijk niet op de hand doen. Zeker niet als je wind hebt en water. Dus daar verrees een molen. De Salamander. Goeie naam. Water- en landdieren. En water en wind daar had die molen baat bij. En het ging ‘m voor de wind, haha. Ze konden van de wind leven, haha. Het legde ze geen windeieren, haha. Al moesten ze wel windgeld betalen! Echt, vier gulden per jaar. Aan de hoge heren. En die vangen veel wind! Over hoge heren gesproken. Ik hèb wat beroemdheden in mijn schuit gehad. Ik noem een Johannes de Wit –voor hij op het groene zoodje werd opgehangen natuurlijk. Zou me anders een zooitje hebben gegeven. En Baruch Spinoza. Heb ik nog flink mee geboomd over de verlichting. Of het nou beter voor je ogen was om bij kaarslicht of bij zonlicht te lezen. Nee, hoor, geintje. Rembrandt van Rijn, nog zo een. Die heeft mij nog vereeuwigd op de Nachtwacht. Helaas op het stuk dat er is afgesneden omdat het te groot was. Heb ik weer.

En de familie Huygens natuurlijk. Woonde hier verderop. Hadden het goed bekeken met hun buitenhuis aan het water. Goed bereikbaar. Ook nog eens vlakbij de snelweg. Slimme jongens. Wat? O, die kwam later. Ja, maar het waren sterrenkijkers. Die konden de toekomst zien, hè. Die mensen hebben allemaal hier gestaan, waar wij nu staan.


FlorisPubliek.JPG

En een trekschuit was alleen voor personen. Met een klein beetje handbagage. Werd streng op gecontroleerd bij het inchecken. Geen vracht. En stipt op tijd vertrekken. Anders kreeg je een boete. Kom daar nog maar eens om!

Regeltjes! Het was zelfs verboden te roken! Roken, iedereen deed het altijd en overal. ‘Een hollander zonder pijp is een onmogelijkheid. Dat is als een stad zonder huis, een toneel zonder acteur, een lente zonder bloemen. Een hollander zou het zonder zijn pijp en tabak zelfs in de hemel niet naar zijn zin hebben.’ En dat verboden ze! Maar… gedogen moet mogen, toch? Dus waren er Goudse pijpen en tabak verkrijgbaar bij de schipper. Ja, ik had om en nabij de vijftien magen te vullen, mensen. En ik moest daarnaast ook mijn lever onderhouden. Proost. Mooie tijden.

Maar toen in 1844 was het ineens te langzaam allemaal. Toen kwam de trein, de stoomtrein. Als die kwam. Die ging maar liefst drie keer sneller dan een dravend paard. Weet je wat dat betekent? Juist. Drie keer minder kans om te proosten! Er kwam geen hond meer in mijn schuit. En de tram, de Blauwe Tram van Leiden naar Scheveningen. Vreselijkste ongelukken mee gebeurd. Dat ze het hoofd moesten zoeken dat bij de romp hoorde die naast de rails lag. Nou, dat kwam bij mijn schuit niet voor. Wij hielden onze kop erbij.

Maar goed, toen ik hoorde over de hoge snelheidslijn en de Fyra die niet kwam, heb ik wel gedacht: volgens mij was mijn schuit toch altijd nog sneller dan die trein die niet rijdt. Niet dan?

Lang leve de trekschuit.

Je zou er trek van krijgen van zo’n schuit. In elk geval dorst. En ga maar zelf eens ervaren dat slowtravelen. Goed voor hart en bloedvaten. En de lever. Proost.