Zuyderburgh

Uit Toen Leidschendam-Voorburg
Ga naar:navigatie, zoeken

Zuyderburgh

Collectie Duijvestein, ZUIDERBURG EN DE STICHTERS VAN ZIJN ROEM, Houtgravure naar tekening op hout van W. Hekking Jr en J.C. Greive Jr.(1866)

Een stamhoofd op sterk water

Collectie Duijvestein, Zuiderburg's achterfront, Lithografie van P.J. Lutgers, steendruk van J.D. Steuerwald, 1850, 16 x 21,4 cm)
Zuyderburgh heeft vooral bekendheid gekregen door gebeurtenissen die zich op deze buitenplaats zelf hebben afgespeeld. Op Zuyderburgh woonde eens een professor, Pieter Hendricksz genaamd. Hij vestigde in dit buiten aan de Vliet een geneeskundig instituut waarin hij bijzonder en menslievend werk verrichtte. Tegelijk had hij als medisch wetenschapper een grote hoeveelheid rariteiten verzameld. In kasten en vitrines waren ze op Zuyderburgh uitgestald: van simpele schedels van verschillende volksstammen tot bizarre geraamten van gebochelden.

Er was een aparte zaal 'rondom van glazen kasten voorzien, opgevuld met groote glazen flesschen vol liquor, waarin allerhande soort van kinderen met waterhoofden, dubbele wonderlijk aan elkaar gegroeide kinderen en dergelijke spelingen der natuur te kijk stonden'. Een andere fles met sterk water bevatte de kop van een Afrikaans stamhoofd. Dit was geen speling der natuur maar een gevolg van menselijk handelen. Hij was, nadat hij een aanval had ondernomen, opgehangen door een Nederlandse generaal in Guinea.

Ter afwisseling was er in het huis ook een pronkzaal waarin de professor alle, vaak kostbare geschenken had uitgestald die hij van dankbare patiënten had ontvangen. In 1843 overleed professor Pieter Hendriksz. Zijn zoon Wybrandus, die even bekwaam en geliefd was als zijn vader, volgde hem op. Ten tijde van Lutgers wandelingen en afbeeldingen was Zuyderburgh zeer gerenommeerd vanwege zijn psychiatrisch-medische inrichting. De bij de litho's behorende tekst vermeldt hierover: 'Weinig plaatsen in dezen omtrek zijn zoo algemeen bekend, als dit geneeskundig etablissement des Heeren Dr. W. Hendriksz, door wijlen diens vader, prof. P. Hendriksz, in 1832 opgericht. Het is de eerste stichting van dergelijken aart in Nederland, en tot hiertoe ook genoegsaam de eenigste. Zy heeft voornamendlyk ten doel, om lijders van allerlei aart, wier toestand, ten gevolge van meestal chronische gebreken, eene onafgebrokene medico-chirurgische behandeling en een geregeld toezicht vordert, naar gelang hunner byzondere omstandigheden, voor een meer of minder bepaalden tijd te kunnen huisvesten en verzorgen. Sedert 1843 staat zy onder toezicht van den tegenwoordigen direkteur en eigenaar'.

Collectie Duijvestein, PROFESSOR HENDRIKSZ, ZUIDERBURG, Lithografie van H.J. Backer, Steendrukkerij: H.J. Backer, 1844
Ter gelegenheid van het overlijden van professor Pieter Hendriksz in 1843 schreef J.L. van der Vliet in het periodiek 'Europa' van 1844 een beschouwing, waarin hij uitvoerig verhaalde over zijn bezoek aan Zuyderburgh. Vooral zijn beschrijving van wat hij binnen aantrof, is zeer informatief. Dankzij de overledene was Zuyderburgh uitgegroeid tot een 'tempel van kunst en weldadigheid'. Er waren wel twintig kamers, waarvan slechts een enkele door de professor zelf werd gebruikt. De meeste kamers waren 'door kranken van wijd en zijd bezet' en 'dienden allen even zeer tot gemak als tot veraangenaming der lijders, waarvan de meesten reeds tevergeefs bij anderen hulp hadden gezocht'.

Ook de verzameling natuurkundige rariteiten had Van Vliet mogen bezichtigen: 'wanneer men den fraaijen trap opging, die naar de bovenvertrekken van Zuyderburgh geleidde, dan trad men eene zaal in, die ons zou doen wanen in een museum verplaatst te zijn. Deze zaal was zeer ruim, vierkant en in het rond van kasten voorzien, die allen met groene gordijnen waren behangen'. De argeloze bezoeker die niets vermoedend achter de gordijnen keek, wachtte een heftige schrik: de kasten stonden vol afzichtelijke voorwerpen, 'allen van was geboetseerd en stelden de natuur in al hare schrikkelijke afwijkingen op het getrouwste voor. Men zag er fraaije vormen van meisjes-aangezigten, doch helaas! aan het hoofd of in den hals beleedigd door verrassend nagebootste, afzigtelijke wonden. [...] Al die in was geboetseerde voorwerpen waren kopiën van de lijders, die door den Professor met buitengemeene bekwaamheid waren genezen'. Iemand met een zwak hart kon beter maar snel doorlopen: 'Met een weinig spookachtige verbeelding en eenigen aanleg tot vrees, zou het waarlijk een akelige straf zijn, om in die zaal een nacht te moeten doorbrengen'. Bezoekers met een sterk gestel konden evenwel ook nog een kijkje nemen in 'de zaal des doods'. Hierin stonden ontelbare geraamten 'naast elkanderen geschaard en die, welke nog geen plaats hadden bekomen, lagen op en over elkander in een hoek op den grond, als worstelden zij met elkaar'.

De kroon spande natuurlijk de kasten boordevol flessen met spelingen der natuur op sterk water. Het geheel vormde een waardevolle verzameling naturalia, die ongetwijfeld een zinvolle bijdrage hebben gevormd in de voortgang der medische kennis. Maar hoe bijzonder en waardevol ook, Van Vliet besloot toch maar snel afscheid te nemen van 'deze zaal vol akelige voorwerpen, wier beschrijving welligt reeds menig aandoenlijk gestel met afkeer zal vervuld hebben'. Liever ging hij naar de pronkzaal van de professor, 'gevuld met meubelen en geschenken van vermogende en dankbare lijders' zoals 'candelabres en pendules'.

Arme luitjes in zondagskleren

Overigens moest men niet denken dat de professor alleen rijken hielp, integendeel. Vele armen werden gratis geholpen. Als illustratie vertelde Van Vliet het verhaal van een arme boerenknaap. Professor Hendricksz had zijn ernstige beenwond genezen. Toen haar zoon weer genezen was thuisgekomen, had de dankbare moeder geld ingezameld om toch nog iets te kunnen betalen. Zij stuurde de arme jongeman naar Zuyderburgh terug om het uiteraard luttele bedrag aan de professor te overhandigen. 'Met een beschroomd gelaat meldde de knaap zich aan, met den hoed in de eene en in de andere hand de kleine som, die slechts dertien gulden bedroeg'. De professor die de grote armoede van het gezin kende, plaagde de jongen een beetje en gaf hem het geld terug met het advies er een goed gebruik van te maken. Vervolgens nam hij afscheid met de raad voorzichtig te zijn met het been zodat de wond goed dicht zou blijven. Toen de dankbare knaap thuis kwam en het geld natelde, bleek de professor het bedrag te hebben verdubbeld.

Collectie Duijvestein, Zuiderburg, Lithografie van P.J. Lutgers, steendruk van J.D. Steuerwald met reclameteksten: links ten behoeve van patiënten en rechts ten behoeve van bezoekers, 25 x 30 cm

Zo waren er vele voorbeelden van zijn vrijgevigheid en menslievendheid. Een keer per jaar, ergens in de zomer, was er een 'aandoenlijk feest op Zuyderburgh': 'alle behoeftigen, die eenmaal door den Professor waren genezen' werden uitgenodigd voor een feestmaal. Ook hun huisgenoten mochten dan meekomen. Van Vliet schreef erover, alsof hij er zelf bij was geweest. 'Langzamerhand kwamen de arme luidjes door het hek van Zuyderburgh aanwandelen. Zij hadden voor dien feestdag hunne zondagskleederen aangetrokken, en aller gelaat gaf ongehuichelde vreugde te kennen'. Dit laatste was geen wonder, want na 'de koffij met brood [...] werd een krachtig middagmaal opgedischt, bestaande uit ham en vleesch, salade, groenten, eijeren, aardappelen, bier en dergelijke spijzen'. Pas bij het vallen van de avond ging een ieder weer huiswaarts 'met een bewogen gemoed'. Men vertrok 'echter niet, dan na zich nog eens aan een smakelijk avondmaal, waarbij het niet aan tulbanden en taarten ontbrak, te goed gedaan te hebben'. De waardering voor de grote weldoener op Zuyderburgh was ongemeen groot, in alle lagen der bevolking: 'De edelman, de rijke burger, de bejaarde ziekelijke oude vrijster, allen hadden hem zeer lief'.

Na alle kamers en zalen van het grote huis doorlopen te hebben, kwam Van Vliet uiteindelijk ook in de tuin, 'dien lusthof van Zuyderburgh, in wiens schaduwrijke lommer, de lijders zoo gaarne uitrustten van hunne vermoeijenis'. De uitgestrekte tuin met zijn 'schoone wandeldreeven' en 'majestueuze boomen' had een bijzondere en ingenieuze verrassing voor de gasten. 'Behalve een grooten vijver, waarin duizenden goudvisschen zwommen, was er nog een koepeltje, met smaakvolle ruwheid opgebouwd van klinkersteenen [...] met een rieten dak belegd. In den koepel stond in eene nis een houten beeld. Als men nu op een knop van het voetstuk drukte, bewoog het beeld en te gelijk de gansche nis van haare plaats, en door de opening, die men thans voor zich zag, kon men in eene koele grot afdalen, welke op eene verrassende wijze, in een verwijderd gedeelte van den tuin uitkwam. Boven het uiteinde van die grot bevond zich een koepelvormig gebouw, met riet en stroo overtogen, waarin de ijskelder was; op eenigen afstand van den grond zag men, onder een afdak drie fraaije schuitjes, en wij behoeven niet te zeggen, dat de gasten van den Professor zich dikwerf met visschen vermaakten, en met die schuitjes uren lang verwijlden op het water, dat Zuyderburgh van de achterzijde omspoeld'.

Al deze bekoorlijkheden zouden echter de professor niet lang overleven. Zoon Wybrandus werd ook al snel befaamd om zijn kundigheid en liefdadigheid. Van heinde en ver stroomden de vele zieken toe voor een gratis consult. Een faillissement was uiteindelijk het resultaat. In 1865 werd Zuyderburgh verkocht aan een Rotterdamse belegger. Die presteerde het om de gehele buitenplaats met zijn fameuze opstallen en zijn eeuwenoude eiken, beuken en olmen binnen twee jaar van de aarde weg te vagen en om te toveren in een weiland met slechts gras en koeien. Een hek en enkele kleine gebouwen vormen een schrale herinnering aan een van de mooiste buitens die de Vliet heeft gekend.

Collectie Duijvestein, Zuiderburg circa 1850, Lithografie van P.J. Lutgers, steendruk van J.D. Steuerwald, 16,6 x 23 cm

Bron

  • Historische wandelingen in Voorburg en omgeving : Vorstelijke dieren en andere prentkunst / Kees van der Leer ; met medewerking van Gerard Duijvestein. - Zwollen : Waanders, 2001